Een oude discussie

Anders dan veel van mijn tijdgenoten ben ik geen adept van Menno ter Braak (1902-1940). Niet dat ik tegen hem was of ben, maar op de een of andere manier heb ik die boot gemist. En toen ik, veel later, wel eens een boek van hem ter hand nam, kon ik - moet ik bekennen - er niet doorheen komen.

Echt ken ik van hem slechts De nieuwe elite uit 1939 en het Journaal uit hetzelfde jaar. Wat ik van hem en van zijn denkbeelden weet, heb ik dus grotendeels uit de tweede hand. Ik ben mij ervan bewust dat dit een gemis is, want onbetwistbaar was hij de maître à penser van een hele generatie en een paar uitlopers daarvan.

Nu stuurde een lezer mij onlangs de inleiding die hij schreef bij de Nederlandse vertaling van Hermann Rauschnings Die Revolution des Nihilismus, ook uit 1939.

Aangezien ik dit boek indertijd wèl gelezen heb, moet ik die inleiding ook gelezen hebben, maar er was niets van bij mij blijven hangen.

Bij herlezing daarentegen kwam ik veel vertrouwds tegen. Menno ter Braak geeft in 't kort een analyse van het verschijnsel nihilisme, daarbij vooral steunend op 'Der europäische Nihilismus', het eerste hoofdstuk van Nietzsches Der Wille zur Macht (1887). Ik citeer nu Ter Braak: “...dat de crisis der Europese cultuur voortkomt uit het wegvallen (of verzwakken) van de oorspronkelijke christelijke geloofsmotieven, waaruit die cultuur werd geboren. (...) Het gevolg is, zoals Nietzsche constateerde, dat de moraal, die gebaseerd was op de christelijke religie, steeds meer in de lucht kwam te hangen; en de vraag waarvoor de denkende vertegenwoordigers der cultuur dus komen te staan, is deze: hoe moet men leven in en met een cultuur waarvan de grondslagen zijn ondermijnd?”

Ter Braak, opgegroeid in een vrijzinnig-protestants milieu, had zelf met dit verleden gebroken. De titel van een van zijn boeken is, wat dat betreft, in de eigenlijke zin des woords voorbeeldig: Afscheid van domineesland (1931). Maar dat verleden bleef hem bezighouden, zoals blijkt uit de titel van een ander boek: Van oude en nieuwe christenen (1937).

Dat hij zich beroept op Nietzsche, jegens wie hij een 'oneindige dankbaarheid' voelt (zoals hij in zijn Journaal van 1939 schrijft), is niet vreemd. Nietzsche heeft God doodverklaard, maar aan deze constatering onmiddellijk de conclusie verbonden: er is geen doel meer; er is geen antwoord meer op het 'waarom?'. “De ondergang van de 'moralische Weltauslegung', die geen sanctie meer heeft (...) eindigt in nihilisme.” Ter Braak volgt deze logica.

Waarom klinken mij Ter Braaks woorden nu zo vertrouwd in de oren? Omdat hij dezelfde redenering volgt die we zijn tegengekomen in de discussie over de grondslagen van de moraal die de laatste tijd in de krant heeft gewoed. Herhaalde malen werd betoogd, onder anderen door mij, dat een moraal die zich niet kan beroepen op een buiten die moraal liggend gezag, in de lucht komt te hangen. Dezelfde woorden die Ter Braak gebruikt.

Citeer ik nu Ter Braaks woorden om er extra bewijskracht aan te ontlenen: zie je wel, Ter Braak zegt het ook? Nee, helemaal niet. Ik citeer die woorden alleen maar om aan te tonen dat de discussie die in de krant aan de gang is, geen nieuwe discussie is. Nietzsche is er al, meer dan honderd jaar geleden, mee begonnen.

Overigens is het curieus te zien hoe Ter Braak, die voor zichzelf tot de conclusie komt dat nihilisme het enige gevolg kan zijn van de 'dood van God', een onderscheid maakt tussen 'zijn' nihilisme en Hitlers nationaal-socialisme, dat door Rauschning trefzeker als ten diepste nihilistisch is gediagnostiseerd:

“Voor de enkeling die zich van deze dingen bewust wordt, is een cultuur met ondermijnde grondslagen (...) een probleem, zoals zij voor Nietzsche een probleem was; hij zal daaruit niet kunnen afleiden dat moraal en cultuur hebben afgedaan, hij zal hoogstens moeten vaststellen dat hij in zijn leven de zekerheden mist waarop anderen hun bestaan als cultuurmensen bouwen.

“Een probleem is echter geen probleem meer zodra het gevulgariseerd wordt, zodra inferieure geesten uit het bestaan van het probleem concluderen dat men nu de cultuur wel overboord kan zetten. Zodra het nihilisme in plaats van een probleem een politiek wordt, waarmee men wraaknemingen, ressentiment en sadisme meent te kunnen verantwoorden, slaat het om in zijn tegendeel; het wordt een aangelegenheid van volksmenners, die geen andere motieven meer kennen dan de handhaving en hun macht - macht in de vulgairste zin van het woord.

“Men dient dus wel te onderscheiden dat er twee soorten nihilisme zijn: één voor aristocratische geesten, één voor plebejische geesten.” Ik vraag mij af of in onze tijd iemand deze conclusie - geheel los van haar waarheidsgehalte - nog zo onverbloemd zou durven uitspreken. We gaan er prat op dat we met alle - nu ja, bijna alle - taboes gebroken hebben, maar is dat zo? Zijn er soms andere voor in de plaats gekomen?

Het is onbegonnen werk kanttekeningen te maken bij elke bijdrage aan de discussie over de grondslagen van de moraal - behalve de zeer algemene dat zij kennelijk ontspruit aan een diepgevoelde en wijdverspreide behoefte. Dat is op zichzelf goed. Eén feitelijke rechtzetting wil ik hier evenwel aan toevoegen.

Nadat Hans Boutellier in de Volkskrant van 13 april mij gerangschikt had onder degenen die “terugverlangen naar de tijd dat het normatieve landschap in Nederland er nog zo netjes bij lag” en “hunkeren naar een geruststellende levensbeschouwing, die de samenleving op orde houdt” - wat, op z'n minst, niets zegt over het waarheidsgehalte van mijn stellingen - schrijft hij in deze krant (23 april) over mij: “Ik vind het ongeloofwaardig de christelijke normatieve traditie op te hemelen, als je zelf niet gelovig bent.”

Moet ik voor de zoveelste maal zeggen dat ik niets ophemel, zelfs niet de “christelijke normatieve traditie”. Ik noem die traditie alleen maar omdat de cultuur waarvan ik (evenals Boutellier, neem ik aan) deel uitmaak, “nog steeds doordesemd is van christelijke uitgangspunten (Boutelliers eigen woorden in de Volkskrant).

Maar in beginsel geldt wat ik over de verhouding tussen moraal en religie zeg voor elke religie.

En waarom zou het ongeloofwaardig zijn iets over het geloof te zeggen wanneer je zelf ongelovig bent? Voor de wetenschap maakt het niet uit welke particuliere (on)geloofsovertuigingen een deelnemer aan de discussie erop na houdt.

Overigens zie ik dat Boutellier zich ook in onze krant laat aankondigen als sociaal-psycholoog. Meer ter zake zou zijn geweest als verwezen was naar zijn in 1993 verschenen boek Solidariteit en slachtofferschap: de morele betekenis van criminaliteit in een postmoderne cultuur of naar zijn artikel in Justitiële verkenningen (1990) 'De secularisering van de moraal. Een beschouwing over de relatie tussen godsdienst en criminaliteit'.

    • J.L. Heldring