Bejaardenoorden in de zorgen

De directies van vijftienhonderd bejaardenoorden in Nederland maken zich zorgen: de klanten blijven weg. Ondanks de voortgaande vergrijzing wonen steeds minder mensen in een bejaardenoord. Sinds 1980 is het aantal bewoners met liefst twintigduizend gedaald. De personeelsomvang is echter nog even groot als vijftien jaar geleden. Voor een deel is dit verklaarbaar, doordat de bewoners - van wie de helft inmiddels 85 jaar of ouder is - in verhouding steeds meer zorg nodig hebben. Maar ook wanneer rekening wordt gehouden met de toegenomen 'zorgzwaarte' blijkt dat de produktiviteit in deze sector al jaren met ruim een half procent per jaar daalt.

De bevolking van bejaardenoorden wisselt snel van samenstelling. Jaarlijks overlijdt ruim eenzesde van de nu nog ongeveer 120.000 bewoners. Duizenden anderen gaan jaarlijks over naar een verpleeghuis. Indicatiecommissies bepalen wie in aanmerking komt om zijn intrek te nemen in de leeggekomen kamers. Naar verwachting beschikken die nieuwkomers over een steeds beter pensioen. Maar zo is het niet.

Wie het zich financieel kan permitteren, gaat liever niet naar het bejaardenoord. De doorgaans kleine kamers voldoen niet aan de hoge wooneisen van tegenwoordig. Veel 65-plussers prefereren een serviceflat of een appartement in een modern woon-zorgcomplex. Ook financieel is dat vaak aantrekkelijker.

Uitgangspunt is dat bewoners van bejaardenoorden de pensionprijs uit eigen zak betalen. Een eenpersoonskamer kost tussen 2.400 en 4.300 gulden per maand.

Schiet het inkomen tekort om de pensionprijs zelf te kunnen voldoen, dan dienen bewoners hun vermogen aan te spreken. Eerst wanneer de persoonlijke besparingen nagenoeg zijn opgesoupeerd, past de overheid het verschil tussen pensionprijs en eigen betalingscapaciteit bij ('vermogenstoets').

Ondanks de toegenomen welvaart dekken eigen betalingen van bewoners een steeds kleiner deel van het totale budget van de bejaardenoorden van 5,3 miljard gulden. Het aandeel van eigen bijdragen zakte van 60 procent in 1970 tot 40 procent in het midden van de jaren negentig. Als gevolg van zelfselectie hebben bewoners van bejaardenoorden in het algemeen een veel lager inkomen dan ouderen die nog zelfstandig wonen. Hun inkomen bestaat in de meeste gevallen nagenoeg uitsluitend uit een AOW-uitkering. En de koopkracht van het staatspensioen is sinds 1980 ongeveer twintig procent achtergebleven bij de algemene welvaart. Het tekort op de exploitatie (ruim drie miljard gulden per jaar) wordt aangezuiverd via een subsidie ten laste van de begroting van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De subsidie wordt via de provincies en de vier grote gemeenten naar de exploitanten van de oorden gesluisd.

Om de dalende bezettingsgraad van de bejaardenoorden op te krikken worden bij renovaties kamers vaak samengevoegd tot grotere appartementen. Zulke verbouwingen kosten weliswaar plaatsen, maar het alternatief is dat steeds meer leegstand ontstaat. Want de overheid streeft er naar ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen. Daar krijgen ze zo nodig hulp van gezinsverzorging en het kruiswerk; soms worden warme maaltijden thuis bezorgd. Het overheidsbeleid strookt met de wensen van veel 65-plussers, die zo lang mogelijk in hun vertrouwde omgeving willen blijven wonen. De overheid heeft ook financiële motieven.

Ouderen die thuis wonen met de nodige hulp en verzorging kosten de schatkist en de sociale verzekeringen minder geld dan bewoners van bejaardenoorden. Tegen een gemiddelde pensionprijs van 3500 gulden per maand wegen heel wat uren gezinsverzorging op.

Sinds enkele maanden hapert de instroom van nieuwe bewoners nog meer dan gebruikelijk. De reden is dat de 'vermogenstoets'

voor bewoners van bejaardenoorden met ingang van 1 januari aanstaande wordt afgeschaft. Deze maatregel vormt onderdeel van een kabinetsplan om de bejaardenoorden over te hevelen naar de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ). Net zoals nu al bij uit de AWBZ gefinancierde verpleeghuizen gaat de verzekeraar de rekening betalen. De eigen bijdrage in het verpleeghuis bedraagt ten hoogste 2.200 gulden per maand. Wie dat niet uit zijn eigen inkomen kan betalen hoeft zijn vermogen niet aan te spreken.

De AWBZ dekt het tekort af. Na de overheveling naar de AWBZ gaat deze regeling ook gelden voor bewoners van bejaardenoorden.

Ook de eigen bijdragen worden gelijk getrokken. Zowel in verpleeghuizen als bejaardenoorden bedraagt de bijdrage vanaf 1997 ten hoogste 3.000 gulden per maand. In heel goede oorden kan daar een kwaliteitstoeslag van maximaal tien procent bijkomen.

Deze uniformering van eigen bijdragen pakt gunstig uit voor vermogende bejaarden die in een bejaardenoord wonen met een pensionprijs boven de 3.000 gulden per maand. Zij hoeven hun vermogen niet langer aan te spreken en de pensionprijs daalt met een bedrag dat kan oplopen tot duizend gulden per maand. Alleenstaanden en echtparen in verpleeghuizen zien hun eigen bijdrage daarentegen fors stijgen.

Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat ouderen die na een spaarzaam leven wat vermogen achter de hand hebben, het moment van verhuizing naar het bejaardenoord uitstellen. Zo doende vergroten zij de onrust van directies, die beseffen dat de exploitatie van hun oord op termijn vastloopt.

    • Flip de Kam