Van Mierlo ervaart in Sarajevo verschil papier en praktijk

SARAJEVO, 29 APRIL. Vijftig IFOR-soldaten zijn al gewond geraakt door de landmijnen. “Mijn god”, zegt minister Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) als hij dat hoort, “en aan Nederlandse zijde?”. Vorige week pas de eerste twee, is het antwoord. Een van de beste mijnenruimers is zijn voet verloren. “Dus wij hebben relatief weinig slachtoffers”, concludeert Van Mierlo. “Kunnen andere IFOR-landen dan niet van ons leren?”

De minister is voor het eerst in het voormalige Joegoslavië en daarbij hoort een bezoek aan de Nederlandse vredesmacht-militairen. In anderhalve dag wordt Van Mierlo door het aan Nederland toegewezen gebied in centraal Bosnië gesleept. Daar moet de IFOR-vredesmacht toezien op het akkoord van Dayton en de voorheen strijdende partijen uit elkaar zien te houden.

De delegaties met hoogwaardigheidsbekleders zijn af en aan gekomen, vertellen soldaten die bij een van de demonstraties op een afstandje staan te kijken naar Van Mierlo. Die gaat intussen een stoet voor van in het pak gehesen ambtenaren van Buitenlandse Zaken. “Vorige week was hier de vaste Kamercommissie, daarvoor Joris (Voorhoeve minister van Defensie, red.), de chef defensiestaf is geweest en de staatssecretaris. We zijn meer bezig met het verzorgen van demonstraties voor die lui dan met ons eigenlijke werk”, zegt een van hen. “Als de premier en Bolkestein ook nog komen hebben we ze allemaal gehad.”

De 'IFOR-klus' blijkt voor de mager voorgelichte soldaten een ingewikkelde etnische legpuzzel van Bosnische Serviërs die een wig proberen te drijven tussen de Bosnische Kroaten en de Bosnische moslims, die op hun beurt aanvankelijk een bloedige oorlog uitvochten, maar nu weer een federatie met elkaar vormen.

In het begin was de taak van de militairen ondanks dit troebele beeld nog eenvoudig. 'Robuust optreden' had minister van Defensie, Voorhoeve, tegen hen gezegd bij het afscheid op de vliegbasis Eindhoven, begin januari van dit jaar. Dan trekken de strijdende partijen zich vanzelf wel terug. De middelen om spierballen te laten zien waren bovendien in overvloed aanwezig. Vooral het driftig rondrijden met het zwaarste wapen, de Leopard-tank met 50 mm kanon, dwong respect af bij de voorheen strijdende facties.

Veel sneller en eenvoudiger dan iedereen had verwacht trokken de moslims, de Bosnische Kroaten en de Bosnische Serviërs zich terug en sindsdien staan de Leopard-tanks werkeloos in het vet.

Wat aan militaire activiteit overblijft is het ruimen van de duizenden mijnen die in het aan Nederland toegewezen controle-gebied liggen. In heel Bosnië liggen drie à vijf miljoen mijnen die het land feitelijk in gijzeling houden.

Stukje bij beetje maken de militairen doorgaande routes in hun gebied mijnenvrij. Het gaat langzaam; per dag achthonderd meter, waarbij gemiddeld tweeduizend granaten en tientallen mijnen worden gevonden. Als de weg eenmaal vrij is, rukt Sectie Vijf uit en die gaat op sociale - niet bedreigende - 'patrouille'.

In de eerste maanden waagde niemand zich buiten zonder helm en scherfwerende vesten. Gaandeweg groeide het besef dat een dergelijke uitmonstering voor de bevolking niet een uiting van vertrouwen was. “We zijn van militair naar humanitair aan het gaan”, vat overtse P. Winckelmolen, plaatsvervangend contingentscommandant de ontwikkeling van zijn troepen samen. De groene helm waarmee zijn contingent begon, begint weer langzaam 'blauw' te worden.

Van Mierlo had het in de Tweede Kamer al gezegd: een maatschappelijke oplossing is tien keer moeilijker dan een militaire.

Zo gesmeerd als de militaire operatie is verlopen, zo overweldigend zijn de civiele problemen die de Nederlandse soldaten voornemens zijn op te lossen, althans, bij te dragen aan de oplossing. Ze hebben te maken met gedemobiliseerde werkloze ex-soldaten van het Bosnisch Servische of het moslim-Kroatische leger die met hun wapens een mafia dreigen te vormen, compleet met intimidatiepraktijken en het 'lospeuteren van premies voor bescherming'.

Een tweede probleem is dat van de oorlogsmisdadigers. De mensen met bloed aan de handen kunnen nauwelijks worden opgepakt, omdat ze vaak plaatselijke helden zijn geworden die desnoods met geweld worden beschermd.

Vooral de etnische verschillen die na een jaar IFOR allerminst verdwenen zullen zijn, vormen de bron voor alle problemen. De bevolkingsgroepen zijn bang voor elkaar en vluchtelingen durven niet naar hun oorspronkelijke huis te gaan. Tot teleurstelling van Van Mierlo blijkt zijn gedroomde multi-etnische Bosnische samenleving geen fractie dichterbij gekomen te zijn. Een proefproject om families te helpen verplaatsen naar dorpen waar ze bij een minderheid zouden horen, liep op een fiasco uit. Moslims werden door de Kroatische politie tegengehouden en Serviërs door de moslim-politie. “Dat is tegen de letter van het verdrag van Dayton”, realiseert Van Mierlo zich. De etnische zuiveringen gaan gewoon door en IFOR kan er niets aan doen, is zijn conclusie. Het is het verschil tussen papier en praktijk, tussen Den Haag en Sisava.