Nieuwe wet legaliseert brommerterreur

De in voorbereiding zijnde wijziging van de Wegenverkeerswet, waarbij een automobilist bij voorbaat aansprakelijk zal worden voor letselschade van een aangereden voetganger of fietser, wordt in deze krant (16 april) nader toegelicht met een artikel over de lange wachttijden voordat verkeersslachtoffers hun schadevergoeding krijgen uitgekeerd.

Die wachttijden vloeien voort uit het 'gebakkelei' over de aansprakelijkheid.

De voorgenomen wijziging zal dit voorkomen, want “de simpele aanraking van een motorvoertuig met een persoon is voldoende om het slachtoffer schadeloos te stellen”, aldus J. Misana van het Verbond van Verzekeraars. Slechts in geval van 'opzet of bewust roekeloos handelen' vervalt het recht op schadevergoeding, niet bij een verkeersfout van het slachtoffer.

Hoezeer het ook noodzakelijk is dat er aan de wantoestand van de lange wachttijden een eind komt, de vraag is maar of dit moet gebeuren via een vaak evidente onrechtvaardigheid. Immers, waar gaat de verkeersfout van het slachtoffer over in 'opzet of bewust roekeloos handelen'? Het door Misana hierbij gegeven voorbeeld van iemand die zich voor een auto werpt, is natuurlijk een gotspe. Wie zich als verantwoordelijk wetend verkeersdeelnemer (niet slechts als automobilist) de realiteit van het dagelijks verkeersgebeuren als uitganspunt neemt, denkt uiteraard onmiddellijk aan bromfietsersgedrag. Begaat een bromfietser die met volle snelheid (meestal hoger dan het toegestane maximum) door rood licht rijdt alleen maar een verkeersfout (meestal twee dus) of is daarbij van opzet sprake? Door rood licht rijden is toch in 99 procent van de gevallen een welbewuste keuze, dus opzet? Om van roekeloos handelen nog maar te zwijgen.

Wie scholen voor voortgezet onderwijs ziet uitgaan, pizza-bestellers ziet rijden (om nog maar te zwijgen van de risico's die men bromfietsende moeders en vaders met een kind achterop soms ziet nemen), weet waar het over gaat. Men moet niet aankomen met het flauwe smoesje dat het hier om een minderheid van de bromfietsers gaat - wat inzake de snelheidsoverschrijding trouwens onjuist is. Een minderheid binnen een 'populatie' vormt vrijwel altijd een probleem en dus een voorwerp voor speciale aandacht, ongeacht of het nu om onverantwoordelijk rijdende bromfietsers of veel te lang op hun uitkering wachtende verkeersslachtoffers gaat.

Daarenboven zal een toenemende bekendheid met de nu beoogde regeling die minderheid onder de bromfietsers alleen maar doen groeien, doordat meer van hen deze regeling als een (weer) vergrote vrijbrief zullen gaan beschouwen.

(Televisiereportages hebben laten zien dat het door jeugdige bromfietsers door eigen schuld opgelopen lichamelijk letsel, zelfs bij ziekenhuisopname, na ongeveer een jaar zijn matigende werking op het rijgedrag meestal weer kwijt is. En nu zal dat letsel ook nog 'niks gaan kosten'!)

Zo'n vrijbrief is in beginsel gecreëerd door de Hoge Raad, die in 1992 een automobiliste van onbesproken rijgedrag tot vergoeding van materiële schade verplichtte, nadat zij bij het inrijden van een straat met éénrichtingverkeer een daaruit komend (dus in overtreding zijnd) meisje op een onverlichte fiets - het was avond - had aangereden (dus geen voetgangster, zoals deze krant berichtte). Nu zal dus de materiële schadeclaim uitgebreid gaan worden met letselschade, wat kan leiden tot verhonderd- of -duizendvoudiging van zo'n claim en verval van door aandachtig rijden opgebouwde no-claimkortingen.

Wordt het niet tijd dat een welgesteld automobilist die de kosten daarvan kan dragen (het wemelt in Nederland tegenwoordig van de miljonairs) deze zaak eens aankaart bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens? Natuurlijk moeten verkeersslachtoffers goed en snel worden geholpen, maar moet daarvoor iedere automobilist tot potentiële misdadiger woren verklaard? Het is een voortschrijdende legalisering van de bromfietsterreur.

    • Ph. Daniels