GELOUTERDE OLYMPIËR, GEEN ATLEET

Hij was als eerste Nederlander genomineerd voor de Olympische Spelen. Na zijn overwinning in de wereldbekerwedstrijd in Peking, juni 1994, hoefde kleiduivenschutter Hennie Dompeling alleen nog vormbehoud te tonen. Dat deed hij door nog verscheidene keren de limiet te halen. Maar het is in Atlanta geen garantie voor succes. “Ik zie het wel. Als ik geen medaille haal, is het gewoon zonde van de tijd geweest.”

Trainen doet hij niet op gezette tijden. Als het hem uitkomt en het is droog dan pakt Hennie Dompeling in zijn eigen schietschool in Amsterdam zijn geweer. Dan schiet hij meestal zes series van 25 schoten. Het gebeurt twee, hoogstens drie keer per week. Meer is niet nodig, vindt hij. “Ik hoef er echt niet dag en nacht mee bezig te zijn. Daar heb ik ook geen tijd voor. Schieten kan ik echt wel. Het is dus een kwestie van het ritme vasthouden. Ben je in vorm, dan doe je wat minder.”

Zijn training ziet er eenvoudig uit. “Alleen maar schieten. En werken.” Dompeling doet niet aan conditie- of mentale training. “Ik heb weleens met Ted Troost gesproken, maar dat is een waardeloos iets. Misschien dat het anderen wel helpt. Mij niet. Als je mentale problemen hebt, is het misschien handig om hulp te zoeken. Ik heb dat niet. Als ik op Schiphol kom om naar een wedstrijd te gaan, sluit ik mezelf voor alles af. Dat kan ik goed. Als ik sta te schieten, mag de hele wereld afbranden.”

Toch kan zijn oom Theo Dekker gerust zijn mentale begeleider worden genoemd. Niet dat de schutter op de sofa ligt bij de zwager van zijn vader, maar hij voelt zich prettig in diens aanwezigheid. “Hij zorgt goed voor me, regelt alles.” Oom Theo en Hennie gingen in 1989 samen op vakantie naar Amerika en de kleiduivenschutter pikte daar een wedstrijd mee die buitengewoon goed liep. “Dat was de start van een mooie samenwerking.”

Dekker gaat als official mee naar Atlanta. “Chef de mission André Bolhuis vroeg me na Barcelona waarom het niet goed met me was gegaan. Ik zei onder meer dat ik mijn oom had gemist. Nu mag hij mee.” En die toezegging is voor Dompeling belangrijker dan trainen. De olympische deelnemer loopt of fietst zich niet in het zweet. En hij stoeit ook niet met gewichten. “Ik ben geen echte atleet. Zo voel ik me ook niet.” Altijd zijn er de opmerkingen over zijn gewicht. De schutter is een superzwaargewicht van 125 kilogram. “Dat weeg ik al jaren. Ik ben een keer flink afgevallen, 88 woog ik nog maar. Maar ik was niet meer dan een middenmoter, schoot helemaal niet lekker.”

Het maakt, zegt hij, niet uit hoe je eruitziet. “Als je maar lekker in je vel zit.” Het gaat om het evenwicht van lijf en geest. “Er komt zo veel meer bij kijken dan alleen schieten. Je kan je 's ochtends ijzersterk voelen en er bij de wedstrijd geen moer van bakken. Of andersom. Het is zo'n moeilijke sport, één van de moeilijkste, denk ik. Je kan je niet herstellen. Als je mis schiet, is het mis, weg. Dat mag je op 150 schoten maar één of twee keer gebeuren. En een misser moet je heel snel weer vergeten, want vijftien seconden later is alweer het volgende schot.”

Hij is niet bang voor de veelbesproken hitte in Atlanta. “Als je in vorm bent, merk je niets van de temperatuur. Bij het WK in Cyprus was het 42 graden. Ik werd derde, op één punt verschil van de winnaar.”

Hij voelt zich sterker dan bij zijn eerste twee Olympische Spelen. In Seoul was hij met 22 jaar de jongste deelnemer, stond na de eerste dag bovenaan, maar bezweek aan de spanning. “Ik lag een nachtje wakker en toen ging het mis. Niet helemaal, want ik werd nog tiende.” Aan Barcelona, in 1992, wil hij liever niet worden herinnerd. “Ik vond er echt geen donder aan.”

Dompeling kampte met problemen in de zakelijke en de privésfeer en had last van de hoge verwachtingen die mensen van hem hadden. “Nu trek ik me er niets meer van aan. Al schrijft De Telegraaf tien keer op de voorpagina dat ik goud ga winnen. Dat valt toch niet te voorspellen. Ik zie wel. Ik doe net of het een EK of WK is. Als ik geen medaille win, is het jammer en zonde van de tijd die ik erin heb gestoken.”

Hij heeft de toezegging gekregen dat hij in een hotel mag slapen en zich niet in het atletendorp hoeft te vestigen. Dat vond de schutter in Barcelona een verschrikking. “We zaten met negen mensen in één appartement. Kan je je misschien voorstellen hoe die ene badkamer er na de ochtend uitzag. De badmintoncoach sliep op het balkon, mijn coach op een matras in de keuken. Ik heb geen kapsones of zo, maar dat doe ik niet meer. Desnoods betaal ik zelf een hotel.”

Na de teleurstelling van Barcelona was hij voornemens om “te stoppen met die rotzooi”. Hij vuurde een half jaar lang geen schot af. Oom Theo haalde hem over om door te gaan en bij de eerste de beste wedstrijd in Peking kwalificeerde hij zich voor Atlanta. Nu is Dompeling trots dat hij weer naar de Olympische Spelen mag en dat hij door zijn prestaties geen domme vragen en opmerkingen meer krijgt over zielige duiven. Veel Nederlanders weten inmiddels dat er op schijven van steen wordt geschoten.

De schietschool van Dompeling vaart er wel bij. Er komen grote groepen mensen op bezoek die bij de topschutter een verjaardag of een andere heuglijke gebeurtenis komen vieren. “Het is één van de redenen dat ik ben blijven doorschieten”, geeft de olympiër toe.

Dit is het eerste deel van een serie waarin olympische deelnemers worden gevolgd in hun voorbereidingen op Atlanta.

HENNIE DOMPELING 30 jaar Kleiduivenschutter Derde Olympische Spelen, nam eerder deel in '88 Seoul (10de) en '92 Barcelona (42ste)

Grootste olympiër aller tijden? “Luciano Giovanetti, dat is een Italiaanse schutter die twee keer olympisch kampioen werd.” Welk boek neem je mee naar Atlanta? “Geen.” Naast wie wil je daar aan het onbijt zitten? “Niemand speciaal. Iedereen die in Atlanta er bij zal zijn, is goed in zijn discipline.” Wat mag er in Nederland niet gebeuren als je in Atlanta bent? “Mijn toko moet gewoon goed blijven draaien. Maar daar ben ik niet bang voor.” Wie verdient er een gouden medaille? “André Bolhuis en Hans Jorritsma van het NOC. Dat zijn kanjers.”