De vergeten historie van Belgen in Gaasterland

Een cent per mus kreeg hij. De Fries S. Bangma was nog een jongetje toen hij voor de Belgische geïnterneerde soldaten in Gaasterland mussen ving in een vogelknip.

“Een dubbeltje voor tien mussen was veel in die tijd. Ze plukten ze kaal en aten ze op.” T. van der Meer werd als klein meisje door een Belgische soldaat gered toen ze in de Luts viel. Haar vader gaf haar redder een half pond tabak. In augustus 1914 viel het Duitse leger België binnen, om door te kunnen stoten naar Noord-Frankrijk. Honderdduizenden burgers en 40.000 militairen vluchtten naar buurland Nederland. De laatsten werden ontwapend en geïnterneerd en ontsnapten op neutrale Hollandse bodem aan Duits krijgsgevangenschap. In het interneringsdepot Gaasterland werden 3000 Belgische soldaten ondergebracht in de oude steenfabriek in Rijs, de oude Roomse Kerk van Bakhuizen en bij talloze particulieren. Hun komst betekende een verdubbeling van het inwoneraantal van Gaasterland, waar feitelijk de staat van beleg gold. In de gisteren door Omrop Fryslân uitgezonden documentaire “Eene verlatene kolonie van vreemdelingen, Belgen yn Gaasterland 1914-1918” werd dit vrijwel vergeten en onbekende deel van de vaderlandse en Friese geschiedenis belicht aan de hand van verhalen van ooggetuigen, die zich als kind de komst van de Belgen nog wisten te herinneren. Hoe was het voor de autochtone bevolking om geconfronteerd te worden met even zo veel Belgische soldaten? En wat betekende het voor de Belgen zelf?

Dat laatste werd duidelijk gemaakt aan de hand van het dagboek dat sergeant Pierre Demal (1892- 1971) enkele maanden in 1914 bijhield.

Daaruit blijkt dat verveling de Belgische militairen parten speelde.

“De dag raakt ten eind. (..) een dag als alle vorige, eentonig, zonder ongevallen, maar afmattend, niet wetend wat te doen. Weinig nieuws dringt door tot hier. Het is alsof Gaasterland een verlaten kolonie is geworden van vreemdelingen.” Demal was ingekwartierd in een schuur van smid Feenstra in Rijs met 19 andere manschappen. De Belgische militairen knutselen, kaarten, wandelen in de bosrijke omgeving, doen mee aan sportwedstrijden (in 1917 wonnen Belgen de PC kaatswedstrijd in Franeker en werd een Belg uitgeroepen tot 'koning') om de tijd te doden. Het eentonig bestaan (werken is verboden) leidt tot schermutselingen: men klaagt over het eten en weigert aardappelen te schillen. “Enige heethoofden spraken van revolutie te maken”, schrijft Demal. Later mag er familie overkomen van de getrouwde militairen en ontstaat er een Belgisch dorp, compleet met hospitaal, school en winkels. Na de wapenstilstand vertrekken de meeste Belgen met stille trom. Slechts één van hen, H. Luyckx, die een Gaasterlandse huwde, blijft. Zijn dochter S. Groenenwoud-Luyckx uit Leeuwarden voelt zich tot op de dag van vandaag nog “tot en met Belgische”.

    • Karin de Mik