Van kroegen en studenten

Jarenlang waren ze een vast koppel bij de studenteneettafel. Zo tegen zevenen kwamen ze druk pratend binnen, twee studenten, broekspijpen net iets te kort, brillen met zwaar montuur, hun degelijke tas aan een schouderband dwars over de borst.

J. van Weesep, E. Wever, Een universiteit in Utrecht. De banden tussen Universiteit Utrecht, stad en regio. (Utrecht, 1996), ISBN 90-393-1484-5

Aan tafel spreidden ze lange vellen computeruitdraaien uit naast hun plateau met een bord met frites, gekookte andijvie en een gehaktbal en het bakje yoghurt. En ook daarna, als ze met een kop koffie aan de bar zaten, bogen ze zich steevast over die kennelijk inspirerende papieren. Oog voor wat er om hen heen gebeurde hadden ze niet. Ze hadden genoeg aan elkaar en aan de computeruitdraai. Bij de discussie kon het er soms heftig aan toegaan. Met luide uitroepen twistten ze over de uitkomst van een bepaalde berekening, maar uiteindelijk werden ze het altijd wel weer eens. En even druk pratend als ze gekomen waren, vertrokken ze weer. In hun uiterlijk en gedrag waren de twee stamgasten van de eettafel typische bèta's. Door de overige bezoekers werd het duo meestal wat meewarig bekeken.

Deze wandelende clichémannetjes van de exacte faculteiten bevestigden alle gangbare vooroordelen over studenten natuurkunde, wiskunde of informatica: wereldvreemde studiehoofden, zeer zeker intelligent, maar niet echt mensen met wie je met veel genoegen een avond naar de kroeg ging.

Hoewel het ging om tamelijk grove stereotyperingen, blijkt nu dat althans een deel van die stereotypen wel degelijk opgaat. Naar aanleiding van het 360-jarig bestaan van de Universiteit Utrecht hebben prof.dr. J. van Weesep en prof.dr. E. Wever van de faculteit Ruimtelijke Wetenschappen onderzoek verricht naar de relatie tussen universiteit en stad. Naast het feit dat de universiteit als een van de grootste bedrijven (bijna 7.000 werknemers) een aanzienlijke bijdrage levert aan de lokale en regionale economie, zijn het vooral de 25.000 studenten die de relatie inhoud geven. Maar dat gebeurt niet op alle gebieden even intensief. Zo is er nauwelijks sprake van 'actieve lokale betrokkenheid' en is er weinig belangstelling voor het culturele leven. Dat laatste geldt vooral voor bèta- en medische studenten. Het kroegleven daarentegen is bloeiend.

Bij hun onderzoek naar drinkgedrag en kroegbezoek vonden Wever en Van Weesep opmerkelijke verschillen naar studierichting. Alfa's en medische studenten zijn bovengemiddelde sociëteits- en cafébezoekers, waarbij vooral de aanstaande artsen het meeste bier drinken. Bèta's blijven duidelijk onder de norm wat kroegbezoek betreft. Daarbij is er onder de bèta's een relatief groot aantal sapdrinkers in vergelijking met studenten van andere faculteiten. Maar tegelijk blijkt uit het onderzoek wel dat als zij dan toch naar de kroeg gaan, meer dan een derde van de bèta's de schade snel inhaalt. Als ze eenmaal drinken, drinken zij ook meer dan gemiddeld.

Ook in het verleden speelde drank al een belangrijke rol in de relatie student en stad. Nauwelijks twee weken na het officiële besluit (in 1636) de Illustere School tot universiteit te verheffen werden studenten vrijgesteld van accijns op bier en wijn. Met hun drankgebruik en andere verteringen hebben studenten nog steeds een aanzienlijk aandeel in de Utrechtse horeca-omzet. Maar de studenten bezorgen - ondanks de reputatie van hun braspartijen - de burgerij nauwelijks overlast. Slechts 2,4 procent van de ondervraagde burgers had problemen met corporaal of studentikoos gedrag. De 'levendigheid' die studenten brengen ervaren zij algemeen als positief. In het onderzoek worden enkele vooroordelen over de bèta's bevestigd, maar tegelijk wordt er een mythe ontkracht. Elk jaar zou je minimaal één fiets kwijtraken. Maar die aanhoudende klaagzang over regelmatige fietsendiefstallen blijkt niet echt gegrond. Van ruim tweederden van de ondervraagde studenten is in de stad nog nooit een fiets gestolen. Tegelijk heeft elf procent van de mannen en drie procent van de vrouwen zich zelf wel eens schuldig gemaakt aan fietsendiefstal. Voor de in het rapport geciteerde politie is dat geen reden tot zorg: “Ze werken door hun studie aan hun carrière en stellen dat niet door (kleine) criminaliteit in de waagschaal.”

    • Jasper Enklaar