Tribune

“Ik ben apetrots”, zei Johan Cruijff toen zijn zoon Jordi verleden week voor het eerst werd geselecteerd voor het Nederlands elftal. Hoe ervaren topsporters het zelf om het kind van een bekende oud-sporter te zijn?

Ties Kruize, net als zijn vader 'Roepie' oud-hockeyinternational: “Ik heb het altijd als een groot voordeel ervaren dat mijn vader ook op topniveau heeft gespeeld. Omdat hij hockeyde, lag het natuurlijk voor de hand dat ook ik - net als mijn broers Hans en Hidde - op hockey ging. Als kleuters gingen we al mee naar zijn wedstrijden. Later kwam hij altijd kijken naar onze wedstrijden. Hij vond het natuurlijk prachtig dat we het alle drie tot international schopten, maar bemoeide zich verder nauwelijks ergens mee. Alleen als ik hem om advies vroeg of wilde weten wat hij van m'n spel vond, gaf hij zijn mening. Nou, dan was dit niet goed geweest, dat niet, zus en zo niet. Maar ook altijd wel een complimentje, hoor. Daar leer je van. Ik kreeg kippenvel toen ik Cruijff senior op de tribune in De Kuip zag. Daar zat-ie: de beste voetballer aller tijden, in afwachting van het debuut van zijn zoon. Heel ontroerend. Ik weet zeker dat hij met een kritische blik heeft gekeken, want dat doet hij altijd. Maar tegelijkertijd moet hij enorm meegeleefd hebben.”

Koen Ceulemans, net als zijn vader Raymond biljarter: “Bij het biljarten betekent het niets dan nadelen om de zoon van mijn vader te zijn. Iedereen verwacht dat je net zo goed bent als vader, hè. Dat is natuurlijk irreëel. Dat kan ook gewoon niet omdat niemand ooit nog zo goed wordt als vader. Mijn tegenstanders spelen ook nooit tegen mij, maar altijd tegen vader. En als ze dan winnen, hebben ze voor hun gevoel van vader gewonnen. Ach, vroeger vond ik dat soort dingen heel vervelend. Nu stoor ik me er niet meer aan. Heb ik meer oog voor de voordelen. Welke voordelen? Nou, extra kortingen, hè. Bij de aanschaf van een auto bijvoorbeeld. Heel plezierig.”

Charles Urbanus, net als zijn vader Han oud-honkbalinternational: “Bij ons thuis werd altijd over honkbal gesproken. Door m'n vader, maar ook door m'n oom die eveneens op topniveau heeft gespeeld. Als kind ben ik zeg maar erfelijk besmet met honkbal. Je krijgt oog voor details en dat is zonder meer een voordeel. De keerzijde is dat iedereen - waarschijnlijk onbewust - denkt dat je ook alles meteen begrijpt en het kan uitvoeren. En dan zijn er de mensen die gewoon verwachten dat je minstens zo goed wordt als je vader. Tijdens een wedstrijd probeerden tegenstanders me weleens te intimideren met mijn achtergrond. Kreeg ik dingen te horen als: 'Ga toch het handje van je pappie vasthouden, joh.' Vooral als je nog jong bent, legt dat een extra druk op. Maar ik heb dat altijd positief kunnen benaderen. Zo van: ze intimideren me omdat ze een bedreiging in me zien. De druk neemt eigenlijk pas af zodra je zelf op topniveau gaat presteren. Dan ben je opeens niet meer 'de zoon van'. Dat overkwam mij al op vrij jonge leeftijd. Ik kan me voorstellen dat wanneer je het talent van je vader of moeder niet hebt, je altijd de zoon van zal blijven.”

Edgar Tinkhof, volleyballer, net als zijn vader oud-international: “Ik heb het nooit echt gehoord, maar wel vaak gedacht dat mensen vonden dat ik werd voorgetrokken omdat ik de zoon was van. Volgens mij was dat niet zo, hij heeft me eerder misschien zelfs een beetje tegengewerkt. Tegen de coach van een nationaal jeugdteam heeft hij bijvoorbeeld eens gezegd dat hij mij niet meer moest selecteren omdat ik niet serieus met m'n sport bezig was. Ik ging namelijk altijd stappen op de avond voor een wedstrijd. Volgens m'n vader kon dat niet. Ach, misschien wilde hij me gewoon prikkelen. Toch denk ik dat het weinig of niets heeft uitgemaakt dat ik de zoon ben van de man die ooit is uitgeroepen tot de beste Nederlandse volleyballer aller tijden. Hij heeft zich gewoon nooit bemoeid met mijn carrière, kwam nooit kijken en komt nog altijd niet kijken. Maar dat is omdat we inmiddels niet meer met elkaar omgaan.”

Boudewijn Pahlplatz, PSV-speler, zijn vader Theo kwam uit voor onder meer FC Twente en het Nederlands elftal: “Vooral in mijn Twente-tijd werd ik in de regionale pers heel vaak met hem vergeleken. Hij was balvaster, ik sneller. Zo ging dat, steeds hetzelfde verhaal. En ik moest het wat meer van mijn acties hebben. Echt leuk vond ik die vergelijkingen niet, maar ik heb het ook niet als erg vervelend ervaren. Het gaf in ieder geval geen extra druk. Er zit vijftien jaar tussen onze carrières. De voordelen wegen zwaarder. We praatten thuis veel over voetbal. Nee, niet eens over onszelf, maar over wat je als profvoetballer te wachten staat en zo.”

    • Paul de Lange
    • Orkun Akinci