Scheidend hoofdredacteur Ben Knapen: Tot constructieve hypocrisie zijn wij niet in staat

Ben Knapen (45), hoofdredacteur van NRC Handelsblad verruilt de krant per 1 mei voor het bedrijfsleven. Een interview met de man die de vrijheid van de journalist betrekkelijk vindt en al eerder overwoog om over te stappen. “Als je zo jong hoofdredacteur wordt, weet je dat je voor het eind van je carrière weg moet.”

“Het lukt mij kennelijk niet om het uit te leggen,” verzucht de vertrekkende hoofdredacteur en werpt de blik op de snelweg van Rotterdam naar Utrecht. Daar schijnt de zon. Waarom, was de vraag, waarom maakt u de overstap naar Philips?

“Er is kennelijk een kloof tussen hoe ik en hoe anderen - vooral journalisten - kijken naar de functie van hoofdredacteur. Ontzettend leuk, maar niet een soort priesterschap: geen bovenaards bestaan van waar je niet meer mag terugkeren. Want dat gevoel krijg je een beetje als je met journalisten praat.”

Nog even glijdt een gekwelde glimlach over zijn gezicht. En dan is het afgelopen met het gezeur: “In Amerika is het heel normaal. Daar switch je tussen de Clingendaels, de regering, Investment Bank of Wall Street en de opiniepagina van de New York Times.”

De angst zijn vrijheid te verliezen wuift hij innemend weg. “Dat gevoel heb ik helemaal niet. Vrijheid, ook in de journalistiek, is altijd betrekkelijk.” En dan zegt hij wat hij in het gesprek nog vele keren in alle nuances zal zeggen: “Je opereert altijd in een sociale omgeving, in dialoog met je eigen achtergrond. Als dat niet harmonieus verloopt, is het tijd om eens goed na te denken.” En denken is zijn grote hobby.

“Mensen verwarren soms vrijheid met mentale soevereiniteit. Die is wel absoluut. Dat is een geesteshouding die niemand van je af neemt. Daarom maakt het niet zoveel uit waar je zit. Ik heb journalistiek nooit als roeping beschouwd.” Ook als correspondent in Washington ('87-'90) had hij overwogen over te stappen naar het bedrijfsleven. “Het was te vroeg.”

Voor het academisch leven voelt hij zich te praktisch ingesteld. “Ik heb het geduld niet. Iedereen die er zit zegt door bureaucratie te worden ondergesneeuwd. En wat ze aan interessant wetenschappelijk werk doen, doen ze in hun vrije tijd. Mensen vragen of ik het schrijven niet zal missen. Kijk, als ik iets wil schrijven schrijf ik. Af en toe wil ik iets opschrijven, zoals nu in mijn eigen tijd. Dat zal ik blijven doen.”

De politiek was een derde optie geweest. “Het publiek domein spreekt mij aan. Maar dan had ik een andere carrière moeten volgen. Ik sta er te ver vandaan.”

Nog net op zijn achtendertigste - zes dagen voor zijn negenendertigste - werd Knapen hoofdredacteur en dat droeg bij tot een mythevorming. “Als je zo jong hoofdredacteur wordt, weet je dat je voor het eind van je carrière weg moet. En wat dan? Daarom heb ik destijds geaarzeld of ik het wel moest doen. De kunst is om op het juiste moment te vertrekken. Zeseneenhalf jaar is misschien iets te kort geweest. Het had best zeven of acht jaar kunnen zijn.” Het grote bedrijfsleven trok hem aan; met “internationale en sociale vertakkingen die de grens tussen publiek en privaat doen vervagen. Philips heeft te maken met protectie in de Verenigde Staten, de Europese Unie, internationale handelsverdragen. Het lijkt mij fascinerend te zien hoe dat zo'n bedrijf beïnvloedt.”

En het grote geld?

“Ik kan redelijk goed relativeren. Als je iets doet wat je niet leuk vindt, ben je het geld gauw vergeten.” Voorlopig, zegt hij, gaat hij in de keuken kijken en dan zal iemand wel eens zeggen pak ook eens een pan op. “Een internationaal bedrijf en toch een beetje Nederlands.” Nederlands? Dat probeerde u toch altijd in uw geschriften een beetje weg te wuiven?'

“Zoals u zegt, een beetje. Misschien is het wel sentiment, maar het is essentieel. Luister, NRC Handelsblad is internationaal georiënteerd en houdt Nederland graag de spiegel voor. Ons land heeft navelstaarderige, provinciale trekjes. Het is leuk een beetje te relativeren, maar ik heb nooit een pleidooi gehouden voor opheffing van het Koninkrijk.”

Is NRC Handelsblad een Europese krant die toevallig in Nederland verschijnt?

“Dat zou mooi zijn, maar een krant zonder geografische, cultuurhistorische wortels, verliest zijn houvast en raakt zijn reflexen kwijt.”

Knapen gaat verzitten. Hij verandert van versnelling en trekt, godlof, het laatste restje masker van de eeuwige jongeling af. Daar zit een grijzend heer met grijs-blauwe, schalkse ogen. “Vergis je niet. Dat is een ingewikkelde vraag. Wat ben je eigenlijk? Volgens mij zit het zo. Ik heb daar weleens over nagedacht. Je eigen identiteit is een kwestie van concentrische cirkels. Het heeft te maken met je verleden, je gezin, de buurt, vrienden, je werk, je omgeving, de stad, het land waar je woont. Als ik op Schiphol aankom en bij de paspoortcontrole dat Europese vignet zie voel ik me even Europeaan. Dat doet me wat. Dat is voor mij. Niet voor de anderen. En als daarachter iemand op je staat te wachten ben je plotseling bij je vrienden, bij je familie. En sla je de natie even over.”

Peinzend zegt hij: “Bij alles wat ik ging doen heb ik gedacht: Het gaat niet alleen om wat kun je bijdragen, maar wat kun je leren. Volgens het beschavingsideaal moet je steeds aan je zelf blijven schaven. Bij het grootkapitaal moet je natuurlijk een trivialere term gebruiken dan beschaven.”

Verwacht u andere normen?

“Ik denk dat je je eigen kompas hebt. Als je voortdurend dat kompas moet zoeken, is er iets mis met je, loop je kans dingen te gaan doen die leiden tot psychische zelfverloochening.”

Was het hoofdredacteurschap uw ziel en zaligheid?

“Ik heb het altijd beschouwd als een functie. Ik heb er altijd voor gewaakt dat persoon en functie niet in elkaar overgingen. Het is voor de krant niet goed en voor de persoon niet goed. Misschien straalde ik het niet uit, maar ik was wel bevlogen.”

Als verdere uitleg: “Je moet daarbij niet vergeten dat de meest interessante aspecten en de status van het hoofdredacteurschap strikt te maken hebben met de functie. En niet met jezelf. Ik zie nog wel eens mensen met een hoge baan en veel aanzien die dat gingen verwarren. Dan zie je na afloop pijnlijke ontwenningsverschijnselen.”

Zult u de krant missen?

“Dat is een ander verhaal. Enorm. Het is een gezelschap eigenwijze donders, prima donna's, zoals wij allemaal, maar als je je niet gek laat maken door kleine office politics, dan is dit een heel bijzondere, inspirerende groep mensen. Je kunt iedere dag de meest interessante discussies houden over post-modernisme, de moraal, verwerking van het koloniaal verleden. Iedere dag is die krant een soort samenzwering.”

Een beetje familie?

“Ik heb de redactie misschien wel eens meer als familie gezien dan zij was of mocht zijn. Een liberale krant heeft nu eenmaal vanuit zijn geesteshouding en traditie, een afstandelijkheid die nodig is om elkaar als auteur te respecteren. In die zin zag ik de krant iets te veel als familie. Als hoofdredacteur van deze krant is het nodig dat je voor je mensen zoveel mogelijk ruimte creëert om hun gang te kunnen gaan.”

Hij hecht, zegt hij, grote waarde aan vriendschap. “Ik heb goede vrienden, maar ten opzichte van de redactie moet je jezelf verplichten tot een beetje eenzaamheid. Anders leidt het gauw tot hofhouding, mensen die er wel en niet bij horen.”

Hij jogt (met een vriend) in de Haagse duinen. “Ja, een belangrijke plek om na te denken. Maar dat doe ik ook in de auto.”

En op de motorfiets? “Niet zoveel. Ik ben mooi weer-rijder. Een Honda Shadow. 500 cc. Niets bijzonders. Maar goed. In Amerika gekocht. Tweedehands in red neck country, West Virginia. Vroeger kwam je alleen getatoeëerde landgenoten tegen die praatten alleen over krukassen en aandrijfstangen. Dat was leuk. Je maakte een uitstapje naar een andere wereld. Dat is ook het interessante van buitenlands correspondent zijn. Je maakt per definitie uitstapjes naar een andere wereld. Je leert een ander land kennen, maar ook je eigen land. Je kunt voor het eerst vergelijken. Je bent dus bezig met de vraag: 'What makes them tick?' Je komt er niet uit als je ook niet vraagt: 'What makes me tick?'

En: 'what makes you tick?'

“Wat een vraag.” Na wat aanloopjes en probeersels: “Ik geloof dat ik een betrokken staatsburger ben met meer dan gemiddelde belangstelling voor mijn omgeving en het verleden ervan.”

Een pauze en dan: “Ik kan mij, terug in Nederland, enorm opwinden over het doorslaan van modieuze trends uit het buitenland. De gemeente Eindhoven die in een advertentie zegt: Wij zijn georganiseerd volgens het concern-model. Dan krijg ik kippevel. Of de belastingdienst die je 'klant' noemt. Volgens mij is een klant iemand die zelf beslist bij wie hij zijn geld uitgeeft. Je kunt niet zeggen deze belastingdienst bevalt me niet, ik ga naar een ander. Dat kan niet, dat mag niet. De burger betaalt belasting. De burger heeft rechten en plichten.”

“De zelfgenoegzaamheid waarmee Nederland zich jarenlang als model voor de wereld heeft beschouwd vond ik vreselijk. Nu met drugs. Nederland doet of men via p.r. vijf miljard mensen ervan kan overtuigen dat dit het ideale model is. Dat is niet zo, al was het alleen al omdat vijf miljard mensen het niet zo zien.”

“Tot constructieve hypocrisie zijn wij niet in staat. Ik heb kinderen van 15 en 17 jaar en ik vind het prettig als een minister op de televisie zegt: 'Beste mensen, drugs zijn slecht en die moet u niet gebruiken.' Dat de minister daarnaast allerlei dingen doet om drugsverslaafden te helpen lijkt mij normale burgerplicht. Tot die combinatie zijn wij niet in staat. Wij bespreken de zaak zogenaamd open en pragmatisch. De rest van de wereld begrijpt daar geen bal van.”

De Nederlander wil toch eerlijk zijn.

“Het is niet helemaal eerlijk. Thuis zegt die minister waarschijnlijk tegen de kinderen: 'En dat ik het verdorie niet zie. Ben je belazerd. Hard drugs en soft drugs, het is allemaal hartstikke slecht voor je.' Dat gebeurt thuis. Na de traumatische ervaring van de verzuiling is de overheid zo bang om ergens maar normatief te zijn, dat zij zich uitsluitend etaleert als een neutrale instantie waar alles bespreekbaar is.”

Knapen heeft er over geschreven. Behoedzaam, in voorzichtige bewoordingen, want ook de redactie is kind van zijn omgeving.

“Nederland is ook wel een beetje in de war.”

Hij spreekt over de IRT-affaire en de verloedering die is doorgedrongen tot de kern van het staatsgezag. Het wordt tijd, zegt hij, er eens goed over na te denken. “Een van de nadelen van dit land is de neiging om te vluchten in cynische, wat ironiserende cursiefjes in de krant. Ze dienen ook om vervelende conclusies te vermijden.”

Hij denkt dat er behoefte is aan een nieuwe set of values. “De jonge generatie is bezig met een heroriëntatie. Hier op de redactie hebben we een gedragscode opgesteld. Hoe gedraagt deze krant zich, hoe gedragen journalisten van deze krant zich? Je merkt dat er behoefte aan is.”

Is er behoefte aan nieuwe ideologie?

De gemankeerde academicus kijkt de student vrolijk aan: “Aan de ene kant heeft het liberalisme gezegevierd, maar aan de andere kant kun je vaststellen dat de kracht van het liberalisme zit in de tegenkracht die het oproept. Als die tegenkracht er niet meer is, zie je dat mensen gaan zoeken naar een ethisch besef, naar begrippen als 'mijn en dijn'. Waar haal je het vandaan? Bolkestein zegt het ook: Een liberalisme dat zijn normen nergens vandaan kan halen, zweeft in het luchtledige.”

Bolkestein sprak over christendom en gezin.

“Ja, dat speelt een rol. Voor een oudere generatie is het allemaal nog teveel beladen met de muffe kanten van de jaren vijftig, maar studenten zijn geïnteresseerd.”

In Amerika, zegt hij, wordt er volop over gediscussieerd. Sociologen zowel van links als rechts schenken weer alle aandacht aan 'de directe sociale omgeving'. Het omvat meer dan louter het begrip 'gezin'.

De situatie, zegt hij, is hier niet zo schrijnend. Er is minder urgentie. Dat maakt het debat, dat zeker komt, ook minder dankbaar. “Ach, zei Goudsblom niet: Nederland is een spons die alles opzuigt en niets afgeeft. Ik geloof niet dat wij veel uitstralen.”

Lopen we uit de pas?

“Een beetje. Toen ik hoofdredacteur werd schreef ik kritische hoofdartikelen over de verzorgingsstaat. Geen prettige bezigheid. Je werd postuum na de oorlog nog fout verklaard. Dat is nu over. We lopen minder uit de pas, maar het gaat langzaam. Er zijn ook heel wat dingen die hier verdomd goed zijn. Het gezondheidsstelsel, iedereen klaagt wel, maar het is goed. Soms zie je wel rare dingen.” Hij vertelt dat alle passagiers die hij een keer in een Amsterdamse tram sprak bij een fysiotherapeut bleken te lopen. “Een jaar later las ik dat op fysiotherapie bezuinigd werd. Zo zie je, het corrigeert zichzelf.”

U gaat in de tram mensen vragen stellen?

“Ja, laatst zei een mevrouw: 'Wat ben ik moe'. 'Zeker de hele dag gestaan?' 'Ja, ik ben verkoopster in de Bijenkorf.' De overhemden waren in de uitverkoop, zei ze. Ik ben er meteen een gaan kopen. Je ziet, het heeft ook voordeel.”

Hij vertelt hoe hij indertijd Wim Duisenberg, toen die nog minister van financiën was, iedere zaterdag bij de bakker zag. “Ik kwam tot de stelling: De Nederlandse politicus staat dicht bij het volk, maar kan bitter weinig doen.”

“Besluitvorming loopt langs zoveel schijven dat ik de indruk kreeg dat Nederland zo is gedemocratiseerd dat de democratie er ernstig onder lijdt.”

Het parlement besluit een spoorweg aan te leggen, maar na twintig jaar ligt hij er nog niet. “Het wisselen van regeringen is hier ook niet zo van vreselijk belang. De kleur van partijen ook niet. Hans Wiegel zou je de grootste socialist kunnen noemen. Hij heeft het wereldrecord ambtenaren aannemen op zijn naam staan. Ien Dales, volgens dezelfde criteria, de grootste liberaal. Het is puur een kwestie van tijd. Er moet zeker iets veranderen, zodat je stem er toe doet. Geen radicale verandering. Dan ontneem je dit land zijn identiteit.”

Wat heeft u kunnen bereiken?

“We kregen de rubriek 'Correcties en aanvullingen', daar ben ik trots op. Het toont dat de krant niet meer is dan een dagelijks pogen en dat moet je eerlijk aan de lezer laten weten. Iedere dag zie ik fouten, ik heb nooit geleerd er in te berusten.

“We kregen een dagelijks economisch supplement. En we zijn met een katern, het Agenda-katern begonnen dat iets frivools heeft. Voor deze krant met zijn genuanceerde en gedistantieerde attitude is dat een heel moeilijke opgave. Van life style willen we eigenlijk afblijven. Het gevoel van smaak en stijl let zeer nauw. Je zit er zo gauw naast. Verder beginnen we dit najaar aan een nieuw, geïntegreerd Boekenbijvoegsel en een Dossier-achtig supplement. Dat staat in de steigers.”

In hoofdartikelen probeerde Knapen het debat aan te zwengelen, over Europa en de infrastructuur. “Ik geloof heilig in infrastructuur, in gedurfde projecten. Hoeft geen Arc de Triomphe te zijn, maar wel iets visionairs voor als Schiphol dichtslibt. Een statement in beton dat zegt dat je gelooft in de toekomst, bereid bent daarvoor offers te brengen. En daar ontbreekt het in dit land nogal aan.”

Er verschijnen blosjes op het gelaat van de aspirant ondernemer. “Het is vaak door dikke planken boren voor je bepaalde onderwerpen 'bespreekbaar' kunt maken. Er is heel wat politieke correctheid. Ik voelde me meer begeleider dan leider. Ik denk dat je als hoofdredacteur eigenlijk drie dingen nodig hebt: een beetje creativiteit, fatsoen en een goed humeur. Wer schaffen will muss fröhlich sein.”

Is de krant veel veranderd?

“Nee. Ik heb naar vermogen gewaakt over het erfgoed van een liberale krant die een rol speelt in de opinievorming in Nederland van een intelligent en intellectueel publiek.”

Maar de televisie heeft toch ook u tot veranderingen verplicht.

“Ook in Amerika worden de onderwerpen die er toe doen door de kranten op de agenda gezet. De televisie geeft er een emotionele slinger aan, zodat het een hot item wordt in de politiek. Het vervelende is dat in het televisie-tijdperk de politieke ideologie en het program minder belangrijk zijn geworden, wat tot gevolg heeft dat meer naar personen en karakters wordt gekeken. Ik zelf vind dat je zeer terughoudend moet blijven. De vraag is of je particuliere zaken moet weten om een goed oordeel te kunnen vormen.”

In een profiel dat Kees Fens in de Volkskrant over u schreef, zegt hij: 'Knapens ontslag doorbrak zijn anonimiteit, en dat in speculaties rond zijn persoonlijk leven. Dat zal hem ongelukkig hebben gemaakt.'

“Dat is waar. Het heeft mij ongelooflijk aangegrepen. Echtscheiden is een nederlaag. Mijn vertrek heeft daar niets mee te maken. Ik heb ernstig overwogen om niet te vertrekken, omdat het teveel zou zijn. Ik was blij met de zinsnede van Fens.”

Terug naar de krant die hij met alom bewonderde stille diplomatie van Reed Elsevier naar de Perscombinatie hielp loodsen. “Overnames hebben mij altijd al geboeid.” Knapen bezocht iedere potentiële koper en vroeg de redactie niet in de krant te opiniëren. “Dat was me wat om te vragen, maar het effect was dat na anderhalve maand de verkoper en mogelijke kopers naar mij kwamen om te vragen wat de redactie wilde. Want stel dat iemand de krant koopt en het management of de halve redactie boos wegloopt. Dat kost geld. Wij werden een mysterie. Daar hebben wij veel plezier van gehad.”

De Perscombinatie was niet Knapens ideaal. “Wel uiteindelijk de beste optie. De Perscombinatie is zeker niet het rijkste concern - een beetje stroperig is het wel. Maar het is een fatsoenlijk bedrijf met het uitgeven van kranten als kerntaak. Ik had liever wat meer concurrentie gehad, want het wordt wel allemaal wat inteelterig.” De vraag die hem bezighoudt is of NRC Handelsblad met de Volkskrant kan en mag blijven concurreren. “Het zal heel moeilijk zijn.” Hij vreest dat de markt wordt verdeeld. “Dat is al een beetje zo. Door de concurrentie zijn de oplagen en de kwaliteit van beide kranten gestegen. Directeur Smaling weet dat je moet concurreren om te overleven, maar of men het in slechte tijden zal durven, moet nog worden bewezen natuurlijk.”

Waar heeft u gefaald?

Zonder enige aarzeling zegt hij: “Ik heb een ernstige beginnersfout gemaakt met columnist J.A.A. van Doorn. Ik had toen niet het geduld en distantie tot de redactie om eerst even niets te doen. Er kwam een geweldige, emotionele golf tegen zijn columns over Zuid-Afrika. En de golf, merkte ik later, was gericht op mij.”

De redactie probeerde u te testen.

“Achteraf denk ik dat. Ik was in Amerika en niet bereikbaar. Dat was ook een grote fout.” (Van Doorn verliet de krant, toen de hoofdredactie op aandrang van een deel van de redactie zich in een verklaring van Van Doorn had gedistantieerd).

Knapen vertelt dat zijn voorganger Wout Woltz, Jan Sampiemon en Henk Hofland hem er toen van weerhielden zijn ontslag te nemen. “Ik had het gevoel tegen de geest van deze krant te hebben gehandeld. Dat was wat mij het meeste stak. Gehandeld te hebben tegen de liberale geest van de krant. Dat eist een zoenoffer dacht ik. Maar toen kwamen die oude rotten en zeiden: zo leer je het, iedereen maakt wel eens fouten. Nou ja, dan maar geen vaandelvlucht bedrijven. Het was ook een beetje slap om op te stappen. En als de golven weer eens hoog gingen zeiden Joost van der Vaart, mijn plaatsvervanger en ik tegen elkaar: Dit is een slagschip en laat ze maar schieten.”

Is het geen falen dat u geen kroonprins heeft aangewezen?

“Eigenlijk wel, maar dat is een moeilijk probleem. Als je op je tweeënvijftigste hoofdredacteur wordt, ligt dat anders dan op mijn leeftijd. (Knapen is 45 jaar). Als jij dan over opvolging praat, ben je ogenblikkelijk niet meer effectief. Daarom zie ik het toch niet als falen dat er geen duidelijke opvolger is. Nee, het is geen falen. Ik heb de stellige overtuiging gezorgd te hebben voor een tableau de la troupe waaruit enkele uitstekende kandidaten naar boven komen om mij op te volgen. Er is helemaal geen haast. Joost is een voortreffelijk plaatsvervanger.”

Was het een voordeel of nadeel dat u als Brabander in dit liberale bolwerk terecht kwam?

“Beide. Het nadeel was dat je iets meer buitenstaander was, het voordeel hetzelfde. Ik houd van Brabant, een goede vriend van mij is kastelein, hij woont vlak bij de Efteling waar ik mijn eerste baantje had. Ik heb het er wel eens met Hans van Mierlo over gehad. Ik behoor tot een andere generatie. Ik voel niets van een minderwaardigheidsgevoel. Toen ik correspondent voor het NOS-Journaal in Bonn werd zei Ed van Westerloo: 'Je hebt wel een zachte g'. Ik zei: ik verander het niet, want anders kijkt mijn moeder niet. Zij was ernstig katholiek, mijn vader veel minder.

“Toen ik opgroeide - en dat vind ik wel jammer - was iedere religie op drift. Het voordeel was dat je gedwongen werd zelf te zoeken. Ik deed het in Nijmegen. Ik was er door mijn geschiedenisleraar heen gepraat. Ik vond die collectieve drammerigheid die daar toen heerste vreselijk. Ik wilde na mijn tweede jaar weg, maar besloot toen maar snel af te studeren.”

Toch heeft u bij de Volkskrant gesolliciteerd?

“Bij mijn sollicitatiegesprek zat ik tegenover drie mannen die shagjes rolden en de rook in mijn gezicht bliezen. Ik dacht ik ben weer terug in Nijmegen. Ik heb geschreven dat ik niet kwam.”

“Ik realiseer me dat ik weer hecht aan het katholiek ritueel; even een kerk binnen lopen, in Spanje of Italië, niet hier. Even zitten, even ruiken.”

Knapen mag terug naar Brabant. Is het ook griezelig om naar Philips te gaan?

“Ja, allicht, eng. Het meest griezelige is niet de vraag of je in die omgeving voldoende jezelf kunt zijn, maar of je iets over kunt dragen waardoor je je thuis voelt. Het leven staat of valt natuurlijk niet met een baan.”

Ook zeven jaar?

“Nee, want toen ik hoofdredacteur werd zei ik ook: Ik doe het voor de rest van mijn leven.”

    • Peter Brusse