Religieus

MEERTEN B. TER BORG: Het geloof der goddelozen

159 blz., Ten Have 1996, ƒ29,90

“We leven maar één keer. We moeten dat zo lang mogelijk doen om zo veel mogelijk individuele paradijselijke ervaringen te kunnen hebben. Dat kan en dat kan steeds beter, dankzij onze wetenschappelijke en technische vooruitgang.” Dat is de kern van de “steeds dominanter wordende” gemeenschappelijke zingeving in het Westen, zo stelt de Leidse godsdienstsocioloog Meerten B. ter Borg in zijn onlangs verschenen Het geloof der goddelozen, een bundeling van artikelen waarvan de meeste eerder zijn verschenen in het dagblad Trouw.

Ter Borg tracht in het boek de populaire opvatting te weerleggen dat religie in de moderne westerse samenleving is gemarginaliseerd en dat de betekenis van godsdienst de komende eeuw alleen nog maar verder zal afnemen. Integendeel, zegt Ter Borg tegen iedereen die meent dat de christelijke traditie in de twintigste eeuw tot staan is gebracht, religie gaat een mooie toekomst tegemoet.

In een beschouwing naar aanleiding van het rapport 'Secularisatie in Nederland' uit 1994 van het Sociaal en Cultureel Planbureau schrijft Ter Borg: “Het is volstrekt onjuist dat Nederland steeds minder gelooft. Het gelooft steeds minder in de traditionele leerstellingen die op dit moment door de kerken worden hooggehouden, of waarvan de onderzoekers menen dat ze in de kerken worden hooggehouden. Het is een grote misvatting te denken dat dit geloof het geloof is.”

In zijn artikelen hanteert Ter Borg een zeer ruime definitie van religie.

Een godsdienstig persoon is in zijn opvatting niet iemand die de leer van een christelijke kerk aanhangt, religie is “het onttrekken van wat dan ook aan de menselijke eindigheid door het een status van bovenmenselijkheid te geven”. Het scheelt maar weinig of Ter Borg rekent, in een essay over voetbal, ook de de liefde voor deze sport tot religie.

Een groot deel van de bundel beschrijft de opvattingen en handelingen van mensen die volgens Ter Borgs definitie religieus zijn te noemen. Als de belangrijkste voorbeelden van het op individualisme en beheersing van de natuur gebaseerde 'geloof der goddelozen' noemt Ter Borg de grote reputatie van de medische wetenschap, en de met weinig gevoel voor 'het tragische' beleefde omgang met de dood, zoals die tot uitdrukking komt in de vraag om euthanasie en hulp bij zelfdoding. “Het laatste beetje prestige waarop de stervende vroeger aanspraak kon maken, een prestige dat hij ontleende aan zijn ophanden zijnde aankomst in de wondere wereld van het hiernamaals, is verdwenen.”

De kracht van dit boek is dat het de religiositeit in veel trends in de Nederlandse samenleving aan het licht brengt. Ter Borg herkent in de schilderkunst en de film veel mythische trekken die vroeger in religieus verband werden getoond. Ook tracht hij aannemelijk te maken dat er in Nederland zoiets bestaat als een publieke religie, dat wil zeggen “een min of meer samenhangend geheel van grondwaarden, gericht op de natie, met een religieus karakter”. Deze publieke religie is volgens Ter Borg gebaseerd op de grondwaarden vrijheid, gelijkheid en broederschap, en wordt herkenbaar op momenten die met het schenden ervan te maken hebben, vooral bij herdenkingen en discussies over de Tweede Wereldoorlog. Als belangrijkste publieke ritueel noemt hij de nationale dodenherdenking op de Dam in Amsterdam.

Het bezwaar tegen deze zoektocht naar religiositeit bij 'goddelozen' is wel dat je met de ruime definitie van religie die Ter Borg hanteert eigenlijk alles wel religieus kunt gaan noemen.

    • Arjen Schreuder