Jodendom

JULIE-MARTHE COHEN & IRENE E. ZWIEP, red.: Joden in de wereld van de islam

168 blz., geïll., Bulaaq/Joods Historisch Museum 1996, ƒ25.-

Een van de opmerkelijke kanten van de joodse geschiedenis, zo noteert de oriëntalist Bernard Lewis in de inleiding tot zijn boek Jews of Islam, is dat joodse gemeenschappen in de diaspora “alleen leken te kunnen floreren en overleven binnen de invloedssfeer van een van de twee religies die het jodendom opvolgden”: het christendom en de islam. Nagenoeg alles wat van betekenis was voor de joodse geschiedenis in de periode tussen de vernietiging van de tempel in Jeruzalem en de oprichting van een nieuwe joodse staat, speelde zich af in de islamitische of christelijke landen. Er waren hier en daar wel joodse nederzettingen in gebieden die door andere religies werden gedomineerd, zoals India of China, maar ze kwamen - ondanks de grote mate van tolerantie die ze genoten - niet tot bloei.

Blijkbaar, zo concludeert Lewis, kon er een mate van wisselwerking ontstaan tussen christendom en islam aan de ene kant en jodendom aan de andere en was dat een voorwaarde voor het jodendom om te kunnen voortbestaan. Voor christenen en moslims was het jodendom, anders dan voor hindoes of boeddhisten, niet vreemd en onbegrijpelijk, maar een soort gedateerde versie van hun eigen religie. Joden trokken daardoor de aandacht. Ze werden weliswaar vaak met de nek aan gekeken, soms veracht en ook vaak vervolgd, maar nimmer genegeerd, aldus Lewis.

In het Westen is, begrijpelijkerwijze, altijd meer belangstelling geweest voor de joden in christelijke landen.

Met eén - even begrijpelijke - uitzondering: de joden in het islamitische Spanje. De laatste jaren lijkt echter sprake van een groeiende belangstelling voor de joden in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Anders dan in de christelijke gebieden zijn joden in de moslim-landen nooit het voorwerp van massale vervolging geweest.

Zij genoten, net als de christenen, bescherming als 'ahl al-kitab' (volk van het boek), maar hadden een lagere status dan de moslims en moesten in ruil voor de beschemring een extra belasting (jizya) betalen. Dat verhinderde echter niet dat zij in bepaalde periodes, zoals onder de Abbasidische kaliefen in Bagdad, in moslim-Spanje en in de twee eerste eeuwen van het Ottomaanse rijk, hun grote bloeiperiodes kenden en dat de twee gemeenschappen elkaar ook zeker tot op zekere hoogte hebben beïnvloed.

Het Joods Historisch Museum wijdde in 1993 een tenstoonstelling aan de joden in de moslim-landen, de eerste in zijn soort in Nederland. Als uitvloeisel daarvan werd een serie lezingen georganiseerd die door uitgeverij Bulaaq zijn gebundeld. De bijdragen gaan onder meer over de invloed van Arabische literatuur en wetenschap op Middeleeuws joods onderwijs, het commentaar van moslim-geleerden op het joodse geloof, opkomst en verval van de joodse gemeenschap in het Ottomaanse Turkije en de invloed van de valse messias Sjabbetai Zewi op de positie van de joden in de islamitische wereld.

De bundel heeft de specifieke voor- en nadelen van dit soort uitgaven: het geheel is wat anekdotisch, maar wel gevarieerd. Speciaal aanbevelenswaardig zijn een bijdrage van Wout Jacq. van Bekkum over joodse poëzie in moslim-Spanje, waarin een groot aantal schitterende voorbeelden wordt opgevoerd, en het artikel van de Amerikaan Norman Stillman over de redenen waarom in de twintigste eeuw de aanwezigheid van joden in de islamitische landen terugliep van ongeveer één miljoen tot niet meer dan zo'n 65.000 nu.

    • Maarten Jan Hijmans