Jan Wolkers verstild in woord en beeld

Tentoonstelling: Tijd bestaat niet. Leven en werk van Jan Wolkers. T/m 25 aug. Nederlands Letterkundig Museum, Prinses Irenepad 10, Den Haag. Di t/m vr 10-17u, za-zo 12-17u. Boek/cat ƒ 49,50.

“Lieve jongens”, schrijft Gerard van het Reve op 22 oktober 1959 aan Jan Wolkers op briefpapier van het tijdschrift Tirade. “Ik moest toch in de buurt zijn en ben met mijn zieke lichaam helemaal door de stad gelopen met de stoel maar later dacht ik dat jullie vast kwaad moeten zijn geweest, want vermoedelijk zijn jullie door mijn bonzen gestoord in de geslachtsdaad, dat moet haast wel, want het was er volstrekt het weer voor.” En Dick Hillenius schrijft Wolkers na lezing van Gesponnen Suiker op 9 april 1963: “Opvallend is dat de wraak die je op de lezer botviert - het pijndoen door uitvoerig te vertellen wat jou indertijd pijn deed plus alles wat de phantasie daar nog mee kan uithalen - in de latere verhalen minder wordt.”

Op de gisteren door Remco Campert geopende tentoonstelling 'Tijd bestaat niet. Leven en werk van Jan Wolkers', zijn in de vitrines van het Letterkundig Museum behalve brieven tal van voorwerpen van de kunstenaar te bezichtigen. De catalogus bij de tentoonstelling, verschenen als Schrijversprentenboek 38, heeft als inleiding een vraaggesprek van Hella Haasse met Wolkers. Daarin zegt hij: “Ik verzamel ook... noem het maar een soort relikwieën. Voorwerpen die voor mij geladen zijn met betekenis. Ik heb een lade, en daar doe ik van alles in dat voor mij letterlijk veelbetekenend is.” Wolkers' bewaarzucht maakte het organiseren van een tentoonstelling over zijn schrijversleven al tot een dankbare onderneming, samen met een overzicht van zijn beeldend werk biedt het museum een tamelijk compleet kijkje in het Wolkers-universum.

Een belangrijk deel van de geëxposeerde werken, brieven en attributen speelt een rol in Wolkers literaire oeuvre, waardoor ze aan de functie van fetisj ontstijgen. De organisatoren Murk Salverda en Erna Staal voorzagen alles van toepasselijke citaten, zodat Wolkers' oeuvre en biografie in samenhang worden gepresenteerd. Anders dan de catalogus, die een chronologische volgorde hanteert, valt de tentoonstelling uiteen in thema's. Aan het begin van de expositie pronkt Het Tillenbeest, het beeld waaraan de titel is ontleend van het verhaal waarmee Wolkers in 1959 in Tirade debuteerde. Er is een vitrine over Turks Fruit waarin niet alleen voorbeelden van de vele buitenlandse vertalingen zijn te zien, maar ook de flarden van de ritssluiting die sneuvelde na de hartstochtelijk auto-omhelzing van Olga en de ik-figuur.

Wie het interview met Haasse niet heeft gelezen, zou kunnen denken dat Jan Wolkers alles had bewaard om het ooit in het Letterkundig Museum tentoon te stellen: van de vlooienband en zijn laatste blikje tonijn-in-gelei van de kat Voske uit De Junival, tot en met kranteknipsels en pamfletten met koppen als 'God doet wonderen', 'Scholier bekent moord op skiester' en 'Kannibalisme is gezond' die vrijwel letterlijk zijn opgenomen in Een roos van vlees. Eenexemplaar van het in verscheidene boeken voorkomende Wat niet iedereen van de hengelsport en de vissen weet is er, evenals een leeg pakje Tigra uit De Doodshoofdvlinder en de roemer die Wolkers kreeg van Louis Couvin die model stond voor de neger in Horrible Tango.

Tijd bestaat niet is meer dan een uitstalling ter bevestiging van het autobiografische gehalte van Wolkers' werk. Door de kunstenaar ontworpen affiches, vóór het ANC en de PSP en tegen apartheid, Suharto en de oorlog in Vietnam, werpen licht op zijn politiek engagement van de jaren zestig en zeventig. Ook bij de monumentale kunstwerken die hij in de loop der jaren maakte, overlappen Wolkers' persoonlijke betrokkenheid en zijn beeldend vermogen elkaar: er zijn modellen te zien van gedenktekens voor Joop den Uyl, de Tachtigers en Jac. P. Thijsse. Op de tentoonstelling hangt ook verrassend, recent schilderwerk: tegen de sobere reliëfs en ronduit sombere oorlogstekeningen steekt deze gepointilleerde 'jacht op het licht' vrolijk af.

De documenten, foto's en tekeningen, die herinneren aan Wolkers' zo gedetailleerd en toegewijd beschreven jeugd, zetten tot overpeinzing aan over de titel van de tentoonstelling. “Wàt is de tijd?”, vraagt hij retorisch in het vraaggesprek. “Er springen momenten van hevigheid, van herinnering, in je op. De indruk die het maakt, als ik al die verschillende dingen uit mijn lade naast elkaar zie, bij voorbeeld de foto van een kat, een skeletje, een rouwbrief... wat is tijd dan? 't Komt allemaal zo naar je toe.” In 1971 selecteerde Wolkers al een hoeveelheid persoonlijk materiaal in Werkkleding, ook met rechtreekse verwijzingen naar het literaire werk. Vijentwintig jaar later is de lade nogmaals omgekieperd, de inhoud is nu bijna tastbaar .

De vroege tekeningen, waarvan veel zijn gemaakt in het park van kasteel Oud-Poelgeest, bieden de meest persoonlijke momentopnamen van de gemoedstoestand van de jonge Wolkers. Indrukwekkend is de penseeltekening Laatste mogelijkheden, gemaakt op 26 augustus 1944 en opgedragen aan zijn broer die vier dagen later aan difterie zou overlijden. Angst en wanhoop spreken uit dit beeld van de zon langs een bomenrij. Wolkers verstilde hier de tijd zowel in beeld als tekst. “Terwijl hij zijn gedachten bijna hoorbaar uitsprak, was de zon in laaiende vlekken op zijn papier ontstaan. De bomen staken er hun zwarte handen naar uit om haar stil te zetten zolang het gevecht op leven en dood van zijn broer zou duren.” (Kort Amerikaans, p.117)

    • Tom Rooduijn