Het rendement van brede vorming

ALAIN RENAUT: Les révolutions de l'université 281 blz., Calmann-Lévy 1995, ƒ60,70

Op 15 september 1793 sloot de Franse Conventie alle universiteiten op het Franse grondgebied. Zij werden vervangen door een reeks gespecialiseerde hogescholen (grandes écoles) die de filosofische speculatiezucht van de oude universiteiten taboe verklaarden en zich bezighielden met praktisch onderzoek, gericht op concrete toepassingen.

Het werd een fiasco. Tachtig jaar later waren de Franse wetenschap en technologie teruggevallen tot ver onder het niveau van de nieuwe erfvijand Duitsland. Het technisch overwicht van de Duitse oorlogsmachine in de voor Frankrijk zo smadelijk verlopen oorlog van 1870 maakte duidelijk dat het Duitse wetenschapsbedrijf op vrijwel alle takken van onderzoek superieur was geworden. Frankrijk haastte zich om, naast de grandes écoles, de klassieke universitaire structuur te herstellen, met de Universiteit van Berlijn, die in 1810 door Wilhelm von Humboldt was opgericht, als lichtend voorbeeld.

De Franse filosoof Alain Renaut vertelt die wederwaardigheden in zijn omvangrijke essay Les révolutions de l'université om aan te tonen dat de roep om praktische rentabiliteit de universiteit al ten minste éénmaal in de geschiedenis lelijk is opgebroken.

Hij maakt geen geheim van zijn bewondering voor het Duitse model.

Het succes ervan was volgens hem mede te danken aan de volstrekte vrijheid waarin de Duitse academici konden opereren.

Academische vrijheid betekende in Duitsland niet in de eerste plaats politieke vrijheid, maar de vrijwaring van de eis van praktisch nut. Kennis werd er uitsluitend nagestreefd omwille van zichzelf. De verrassing van het Duitse model was dat dat uiteindelijk veel meer technische toepassingsmogelijkheden opleverde dan de Franse benadering, waarin het praktisch nut van begin af aan voorop stond.

De parallellen met de tegenwoordige situatie springen in het oog. Net als rondom 1800 verkeert de universiteit (in Frankrijk maar ook elders) in een crisis die samenhangt met diepgaande veranderingen in de samenleving.

Toen viel de universiteit - tot op dat moment voornamelijk in handen van de kerk - toe aan de bourgeoisie en de staat; nu verschuift ze van elite naar massa, een proces dat eind jaren zestig is begonnen. Toen moesten de speculatieve wetenschappen opschikken terwille van de natuurwetenschappen; nu moeten de zuivere wetenschappen plaats inruimen voor beroepsgerichte kundes. En net als toen dringt zich ook nu de vraag op wat de taak van de universiteit eigenlijk is.

Massa-onderwijs

Renaut beschrijft op fascinerende wijze hoe het denken over universiteit door de eeuwen heen veranderd is.

Met zijn boek heeft hij een belangrijke bijdrage geleverd aan die reflectie.

Hoewel hij zich allereerst op de Franse situatie richt, is zijn boek ook voor de wereld daarbuiten interessant, omdat de universiteiten overal met min of meer dezelfde vragen worstelen.

Moeten ze zich richten op velen of op weinigen? Moeten ze specialisten of generalisten opleiden? Vormt een universiteit een samenhangend geheel van onderling verbonden faculteiten, of louter een losse verzameling instituten met ten hoogste een gemeenschappelijk parkeerterrein en verwarmingssysteem, zoals Clark Kerr, rector van de Universiteit van Berkeley, het aan het begin van de jaren zestig uitdrukte?

Eén ding staat voor Renaut buiten kijf: het universitaire onderwijs zal van nu af onvermijdelijk massa-onderwijs zijn. Daarmee conformeert hij zich aan de Franse situatie, waar - net als in de andere romaanse landen - het percentage scholieren dat doorstroomt naar het hoger onderwijs bijna tweeëneenhalf keer zo hoog is als in Nederland. Renaut motiveert dat uitgangspunt niet, waarschijnlijk omdat hij zich niet kan voorstellen dat een beschaving een ander ideaal zou hebben dan een zo hoog mogelijke intellectuele ontwikkeling van een zo groot mogelijk deel van de bevolking.

De recente beslissing van de Nederlandse onderwijsminister om het aantal studenten met een kwart te verlagen zou hem waarschijnlijk verbijsteren.

Het is moeilijk geen sympathie te voelen voor dit ideaal, dat rechtstreeks wortelt in de Verlichting waardoor Renaut zich ook in zijn eerdere boeken graag liet inspireren. In een dergelijke visie is de vraag naar het waartoe van zulk breed hoger onderwijs eigenlijk buiten de orde. Het is een doel op zichzelf, dat zijn legitimiteit niet ontleent aan aanwijsbaar praktisch nut of toepassing in een beroepspraktijk.

Toch gaat Renaut die vraag niet uit de weg. Zowel met het oog op de wetenschap zelf als terwille van de samenleving is een brede inbedding van het universitaire onderwijs en onderzoek noodzakelijk. Om met dat laatste te beginnen: de steeds flexibeler arbeidsmarkt heeft steeds minder belang bij werknemers die voor één taak zijn opgeleid. Ze heeft veel meer aan werknemers met voldoende intellectuele bagage om zich ook op langere termijn aan de veranderende eisen te kunnen aanpassen.

Alfa-vakken

In dat verband breekt Renaut een lans voor de letterenstudies, die in de tegenwoordige universiteitspolitiek vaak het kind van de rekening zijn.

Hun rendement wordt laag geacht en daarom vallen zij als eerste ten offer aan bezuinigingen. Zonder aan de intellectuele vorming van de 'harde' wetenschappen te willen afdoen, constateert Renaut dat juist de alfa-vakken hun studenten vormen in de brede culturele en intellectuele oriëntatie die hen in staat zal stellen ook in een veranderende maatschappij hun weg te vinden.

Dat heeft op den duur niet alleen gunstige gevolgen voor hun flexibiliteit op de arbeidsmarkt, maar ook voor die op het maatschappelijke en politieke vlak. Zoals het bedrijfsleven in toenemende mate vraagt om 'generalisten' die in de steeds sneller verlopende ontwikkelingen in staat zijn de grote lijnen te zien, zo wordt ook van de burger steeds meer gevraagd dat hij die lijnen in zijn persoonlijk en maatschappelijk leven zelf uitzet.

Veel beleidsbeslissers kennen die desoriëntatie uit eigen ervaring en ook zij grijpen dan graag terug op de lessen van literatuur en filosofie. Des te merkwaardiger is het dan dat de waarde van deze studies in de discussie over de toekomst van de universiteiten vaak wat besmuikt en plichtmatig wordt afgedaan en 'rendement' slechts van techniek en natuurwetenschap wordt verwacht.

Nog vreemder wordt het wanneer men ziet hoe deze logica van bezuiniging en rendement vervolgens besluit juist in de goedkoopste faculteiten drastisch te snoeien. De vicieuze cirkel van steeds hogere kosten per student en eindige middelen op de ministeriële begroting moet dan wel leiden tot de omineuze beslissing het aantal studenten drastisch te verminderen.

Het antwoord van Renaut op de massificatie van de universiteit (die voor een belangrijk deel verantwoordelijk is voor het tegenwoordige financiële probleem, waarover Renaut weinig zegt) is precies omgekeerd.

Het universitair onderwijs zal zich in de toekomst in overgrote mate in de letterenfaculteiten moeten afspelen.

Het diffuse, maatschappelijke rendement dat men van het grootste deel van de afgestudeerden (die zich nooit tot topspecialisten zullen ontwikkelen) verwacht en de financiële grenzen die aan de universiteit van de toekomst zijn gesteld vallen daarbij op gelukkige wijze samen.

Daarbij moet worden opgemerkt dat de meeste studenten in Frankrijk - en voor de Verenigde Staten geldt hetzelfde - hun studie op het laagste niveau afsluiten, zonder zich in een wetenschappelijk specialisme te bekwamen. Deze voorbeelden hebben ook ten grondslag gelegen aan de Nederlandse twee-fasenstructuur. Dat men na een opleiding van vier jaar geen wetenschappelijk volwaardige academicus is, hebben universiteiten noch ministerie ooit verheeld.

Specialisten

Het heeft dan ook weinig zin deze eerste fase toe te snijden op een gespecialiseerde voortzetting waaraan de meeste studenten nooit zullen toekomen. Deze structuur heeft alleen zin wanneer de eerste fase uitdrukkelijk als een algemeen vormende opleiding wordt opgevat, en dat lijkt in de alfa- (en gamma-)faculteiten eenvoudiger dan in de natuurwetenschappelijke.

Maar ook hier lijkt het Nederlandse beleid in omgekeerde richting te gaan en af te stevenen op een herstelde opleiding tot wetenschappelijke specialisten, die beide fasen hebben doorlopen. Zoals indertijd de invoering van de zogenoemde assistenten-in-opleiding (wier salaris deels uit de pot van het wetenschappelijk personeel werd betaald) uiteindelijk een reductie van datzelfde personeel tot gevolg had, zou de twee-fasenstructuur dan op den duur slechts een tijdelijke omweg zijn geweest om bij een sterk verkleinde universiteit uit te komen.

De tekenen daarvan laten zich aflezen aan de pogingen tot concentratie van het wetenschappelijk onderzoek in 'centres of excellence' en gespecialiseerde onderzoeksinstituten, waarin de idee van de grandes écoles opnieuw terugkeert. Hoewel het daarbij uitdrukkelijk om zuiver wetenschappelijk onderzoek heet te gaan, geeft de drang om onderzoek 'verkoopbaar' te maken weinig reden tot optimisme.

Dat heeft momenteel tot paradoxaal resultaat dat de universitaire laboratoria zich steeds minder risicovolle experimenten kunnen veroorloven.

Risico betekent immers de kans op mislukking, en mislukkingen brengen zelden geld in het laatje.

Vernieuwend wetenschappelijk onderzoek is echter per definitie riskant en men kan de zuivere wetenschap dan ook niet effectiever fnuiken dan haar afhankelijk te maken van haar rendement. De eis van rentabiliteit die tot het nieuwe credo van het Nederlandse universitair beleid behoort, dreigt op termijn voor het universitair onderzoek dan ook even noodlottig te worden als hij dat in de negentiende eeuw in Frankrijk was.

De aanhoudende druk om het universitaire onderzoek te modelleren naar een marktmodel, zoals onlangs bepleit door de commissie-Gevers van de Universiteit van Amsterdam, zal de academische produktie misschien vergroten, maar steeds onbetekenender en daarmee, paradoxaal genoeg, ook steeds minder verkoopbaar maken. Renauts bezwaar tegen de roep om super-instituten geldt niet in de eerste plaats het probleem van de rentabiliteit, dat men met de belofte van een genereuze financiering misschien nog wel zou kunnen ondervangen - al weet niemand wat dergelijke beloften waard zijn. Volgens hem is de wetenschapsbeoefening zelf gebaat bij een brede inbedding van het onderzoek in een instelling die organisch verbonden is met de andere disciplines van de klassieke universiteit.

Opnieuw fungeert daarbij de Humboldt-universiteit als voorbeeld. Deze werd door zijn oprichter immers - in tegenstelling tot het Franse model van de grandes écoles - ingericht als een samenhangend instituut waarin alle takken van wetenschap gezamenlijk wortelden in een filosofisch concept van wetenschapsbeoefening.

Men zoekt bij Renaut vergeeft bij een verklaring waarom deze samenhang doorslaggevend is geweest voor het succes van dit model, maar argumenten daarvoor zijn wel te vinden.

Normale wetenschap

Thomas Kuhn heeft er in zijn baanbrekende studie De structuur van wetenschappelijke revoluties op gewezen dat wetenschappelijke vooruitgang twee varianten kent. Enerzijds is er het geduldig voortschrijdende onderzoek dat binnen een algemeen aanvaard model de witte plekken van de kennis opvult. Kuhn noemde dat 'normale wetenschap'.

Daarnaast zijn er de grote sprongen voorwaarts, die niet de reeds gelocaliseerde witte vlekken invullen, maar zelf nieuwe gebieden van onderzoek openen doordat ze het hele wetenschappelijke model veranderen.

Die revoluties gaan de grenzen en de orthodoxie van het normale onderzoek principieel te buiten. Daarom kan de wetenschap niet zonder de brede inbedding die de afzonderlijke disciplines steeds weer dwingt over de grenzen van het eigen model heen te kijken en de eigen grondslagen ter discussie te stellen.

De universiteit, zo zou men aan het einde van Renauts boek kunnen concluderen, heeft haar algemeenheid te koesteren als een kostbare schat. Algemeenheid van weten en van onderzoek gaan daarbij hand in hand met algemeenheid van onderwijs: daarin vervult zij haar roeping van universaliteit, zoals die sinds Humboldt met de universitaire idee verbonden wordt. Zij mag het specialisme niet schuwen, maar moet steeds blijven opereren tegen een achtergrond van brede vorming en brede theoretische oriëntatie.

Met dat besef moet elke roep op direct meetbaar rendement onmiddellijk worden geamendeerd. Anders zal het gaan zoals het Clark Kerr verging, die in 1963 zijn programmatische boek The Uses of the University publiceerde. Het nut van universiteiten, beweerde hij, ligt in het bedrijven van maatschappelijk bruikbare wetenschap en het bieden van een marktgerichte beroepsopleiding. De inkt was nog niet droog of de studenten op zijn eigen Berkeley-campus kwamen in opstand, gevolgd door studenten elders in Amerika en Europa.

Zij verzetten zich tegen de reductie van de universiteit tot haar maatschappelijke gebruikswaarde; wat dat betreft had de titel van Kerrs boek niet duidelijker kunnen zijn. Beroepsgerichtheid en wetenschappelijke produktiedwang hadden van de universiteit een 'kennisfabriek' gemaakt, louter bekommerd om groeicijfers en 'output'. De studenten wilden iets anders en ze wilden méér: een universiteit die in hun ogen haar naam letterlijk waardig was.

Dat is allemaal al weer lang geleden, maar de dilemma's klinken vertrouwd. De pogingen in deze tijd tot utilisering en mercantilisering van het hoger onderwijs zijn waarschijnlijk niet het einde, maar pas het begin van een nieuw conflict over het idee van de universiteit.