Het landschap in de provincie: Groningen; Hier houdt het op, de rest is water

Is er wel natuur in Groningen? Koos van Zomeren begint aan een maandelijkse reeks wandelingen door het Nederlandse landschap, met de seizoenen en de provinciegrenzen als leidraad. 'Met de toren van Garnwerd als baken hebben we een rondje gelopen in het gewelfde landschap, van de ene boerderij met waaibomen naar de andere boerderij met waaibomen'.

Om een uur of halfacht werden de nevels zo dun dat er een zilveren zon verscheen, maar dat was pro forma, een knipoog

Ik vraag me af of land en water in april ooit zo drastisch gescheiden zijn geweest

Ik ben u, voordat we een weekje gaan wandelen in Spanje, nog een verslag verschuldigd van twee dagen Groningen, begin deze maand, toen de rest van het land zich, zij het schoorvoetend, al gewonnen had gegeven aan de lente, maar Groningen nog niet.

Wat dat betreft heeft de route naar het noorden wel iets van een tocht in de bergen: hoe hoger je komt, hoe later het voorjaar. Je zou zelfs kunnen spreken van een reis terug in de tijd, ware het niet dat zo'n reis net zoveel tijd kost als elke andere.

Afijn, in Groningen had nog lang niet iedereen de eerste tjiftjaf gehoord, de eerste zwaluw gezien, en toen we boven de stad het Reitdiepgebied ingingen, waren de weilanden zuiver geel, winterse vlaktes.

Met de toren van Garnwerd als baken hebben we een rondje gelopen in het gewelfde landschap, van de ene boerderij met waaibomen naar de andere boerderij met waaibomen. Het waait daar altijd. Alleen bij windstilte waait het er wat minder.

Grutto's gaven luidruchtig blijk van hun aanwezigheid en ik moet zeggen, ze gingen me aan het hart, die beesten. Niet zozeer vanwege de kou, hoewel het behoorlijk koud was, maar vanwege de heersende droogte, die de aarde korstig had gemaakt, voedsel onbereikbaar, snavels machteloos. (En die droogte heerst nog steeds. Een paar dagen geleden zag ik hier, langs de Hollandse Kade, grutto's in een sloot fourageren, net of het reigers waren. Ik vraag me af of ze het ooit zo moeilijk hebben gehad, of land en water in april ooit zo drastisch gescheiden zijn geweest.)

Het Reitdiepgebied is een vlechtwerk van Hunze, Waddenzee en de mens. Je ziet meanders en kleiruggen, prielen en geulen, wierden en bedijkingen. Het slotenpatroon is oeroud en vertoont op de plattegrond een treffende gelijkenis met een ingeslagen autoruit. Onregelmatige blokverkaveling, heet het dan.

Volgens Gerard Veugelers was dit het oudste cultuurlandschap van Nederland, volgens Michel van Roon zelfs van Noordwest-Europa. Sinds 2500 jaar wordt dit aaneengesloten door mensen bewoond.

Ik kan het niet helpen, ik voel me altijd wat ongemakkelijk bij dergelijke mededelingen - reisgidsenproza, dat maar liever niet in mijn verhalen moet doordringen. Toch: uitgerekend deze dingen blijven hangen. Dus ook dat Ezinge zichzelf als oudste dorp van heel Europa beschouwt.

Maar misschien had ik eerst even moeten zeggen dat Gerard en Michel van Het Groninger Landschap zijn.

Het Groninger Landschap is in dit gebied volop bezig met het verwerven van terreinen, met name in de laagst gelegen delen, de voormalige rivierbeddingen. Daar kan onmiddellijk een begin worden gemaakt met het behoud van de antieke verkaveling, de redding van traditionele opstallen en de bescherming van weidevogels.

Op den duur, bij een bepaalde omvang van de verworven terreinen, zou een eigen waterhuishouding kunnen worden verwezenlijkt. Meer water zal meer vogels trekken, beter water zal tot een natuurlijker vegetatie leiden: kikkerbeet, krabbescheer, koekoeksbloem en wat daar zoal bijhoort.

Wij hebben zes, zevenduizend hectare land en niet één trekker.''

Dat zei Gerard Veugelers en hij zei het met nadruk, hij bedoelde er iets mee - niet dat ze nooit een tractor nodig hebben (die huren ze dan van een tractorverhuurbedrijf), maar dat ze het eigen apparaat, het kantoor aan de Groninger Ossenmarkt, opzettelijk klein houden. Flexibel. Toegesneden op het initiëren van beleid en het superviseren van de uitvoering ervan.

Belangrijk: het stimuleren van vrijwilligerswerk. Vrijwilligers bij het organiseren van excursies, vrijwilligers bij het inventariseren van flora of fauna.

Als er boeren klagen over distels die komen binnenwaaien vanuit aangrenzende natuurgebieden - ga kijken wat hun problemen zijn en zorg dat zij komen kijken wat jouw problemen zijn.

Als er mensen zijn die zich in bepaalde terreinen niet aan de regels houden (vandalisme, zelfs in Groningen) - probeer dan een zekere sociale controle te organiseren vanuit de naburige dorpen. Maak de mensen duidelijk dat het hun eigen terreinen zijn. Ga naar scholen en betrek de kinderen bij de natuur. Enzovoorts.

“Verankering in de lokale samenleving, dat is onze toekomst, onze bestaansreden. Anders kun je de club net zo goed opheffen en de terreinen overdoen aan Natuurmonumenten.”

Dat zei Michel van Roon en ook hij zei het met nadruk, ook hij bedoelde er iets mee - precies wat hij zei.

(Die opmerking over die tractor had overigens een merkwaardige uitloper naar afgelopen zondag, toen we een wandeling maakten in de buurt van Huizen (N.H.). Daar stond een tractor aan de weg met een sticker op het spatbord: hier werken 70 paarden. Was het niet nóg raker geweest als daar had gestaan: hier werken géén 70 paarden?)

De volgende morgen zong in een Groninger stadstuin een tjiftjaf. Dus daarna de hele dag, overal. Ze komen nooit alleen. Eigenlijk doen ze geweldig hun best om niets bijzonders te zijn.

We reden naar de Ennemaborg in Midwolda, de streek van de vroeger zo kapitale boerderijen en de vroeger zo treurige arbeiderswoningen. In deze streek hebben zich de laatste jaren spectaculaire aantallen grauwe kiekendieven gevestigd op braakliggende akkers.

Op de Ennemaborg troffen we Gerard Sterkenburg, ook van Het Groninger Landschap. We hebben een lang gesprek gevoerd en een flinke wandeling gemaakt. Borg met bijgebouwen, baroktuin, bos en landerijen. Tot in de oorlog werd er veen gewonnen, daarna lagen er onafzienbare aardappelvelden en een deel van die velden is nu veranderd in natuur, natte natuur, plassen. Voor zoiets moet een boel grond worden verzet en grondverzet is een geldverslindende bezigheid. Maar het afgegraven zand kon lucratief worden afgezet bij de aanleg van de naburige A7. Leidde de aankoop van het landgoed in 1965 nog bijna tot een faillissement van Het Groninger Landschap, deze natuurplassen zijn financieel onberispelijk gefundeerd. Ja, dat zijn de jaren negentig: snelweg en natuurontwikkeling in één duizelingwekkend perspectief. Wat niet wegneemt dat je hem hóórt, die snelweg, als je daar wandelt.

De begrazing van deze terreinen is toevertrouwd aan een kudde konikspaarden. Je kunt ze op je gemak bekijken, ze kijken nauwelijks terug, ze lijken volledig op te gaan in hun werk, dat het bos een stuk doorzichtiger maakt en de aangrenzende akkers een beetje bossig.

Ik merkte dat ik hoofdpijn had, wat slecht van pas kwam, want of je zo'n wandeling nou als werk of als hobby opvat, van hoofdpijn wordt het er in geen geval beter op.

Ik merkte ook dat ik in het voorbijgaan van een standpunt werd beroofd.

Dat standpunt was dat voor de begrazing van Nederlandse natuurgebieden veel meer Nederlandse koeien zouden moeten worden gebruikt. Ik bedoel: dan zijn er koeien die we een gelukkig bestaan kunnen bieden, en dan halen we ze uit het buitenland, hooglanders uit Schotland of limousins uit Frankrijk of zo. Waarom toch?Gerard Sterkenburg vertelde dat ze het hadden geprobeerd. Toen ze hier in '81 met die konikspaardjes begonnen, hadden ze ook een stel koeien ingeschaard, originele Groninger blaarkoppen, zwarte. Maar koeien willen een kalf en als ze een kalf hebben beginnen ze melk te geven en als Nederlandse koeien melk beginnen te geven, zelfs al zijn het originele zwarte Groninger blaarkoppen, die toch helemaal niet zo extreem zijn doorgefokt, dan geven ze zo veel melk dat één kalf het onmogelijk kan bolwerken; dan moet je er per koe minstens nog een kalf bij zien te krijgen om al die melk weg te werken en nou, dat gaf veel te veel werk, veel te veel rompslomp.

Daarom dus. Omdat de Nederlandse koe, die gelukkig is in een natuurgebied, helemaal opnieuw gemaakt zou moeten worden.

Sterkenburg, nu directeur, kwam bij het Groninger Landschap in 1972. Hoewel de organisatie al sinds '36 bestond, had zij, zeker in vergelijking met zusterorganisaties in andere provincies, nog weinig om het lijf.

Groningen was één grote ruilverkaveling. De landbouw regeerde. Als natuurbeschermers een mening verkondigen over grondgebruik (tegen verdere inpoldering van de kwelders bij voorbeeld), raakten de gemoederen direct verhit. In Groningen wás geen natuur, zeiden ze op het provinciehuis en ja, dat viel wel enigszins te begrijpen; in Nederland werd natuur nu eenmaal van oudsher geassocieerd met bos, zand, arme grond, en in Groningen was inderdaad geen arme grond.

Totdat de landbouw min of meer spontaan buiten adem begon te raken. Want dat de sfeer zo sterk is verbeterd, dat de verhoudingen nu goed genoemd kunnen worden, dat vindt min of meer zijn oorsprong in het inzakken van de landbouw. De hevigheid van de conflicten, zou je kunnen zeggen, is omgekeerd evenredig met de hoogte van de grondprijzen.

En dan is er opeens ruimte om te groeien en dan zie je de werking van wat Jan Romein als de wet van de remmende voorsprong heeft beschreven, hoewel het in dit geval precies omgekeerd zou moeten heten: de wet van de stimulerende achterstand.

Vorig jaar kon 250 hectare grond worden aangekocht (voor vijf miljoen) - een absoluut record.

Het aantal begunstigers van Het Groninger Landschap steeg in vijf jaar van ongeveer duizend tot ruim negenduizend.

Het Groninger Landschap is momenteel één en al ijver en enthousiasme.

Ondertussen beginnen de grondprijzen weer te stijgen. Kentering in de akkerbouw. Vestiging van melkveehouders, die elders in het land hun bedrijf moeten opgeven. Plannen voor militaire oefenterreinen. Plannen voor aantrekkelijke woongebieden, die draagkrachtige Groningers binnen de grenzen van hun eigen provincie moeten houden. Dat alles bij elkaar maakt de ruimte weer duurder. Maar als er belangen worden afgewogen is dat van de natuur nu een stuk duidelijker gedefinieerd.

“En we houden zelf ook niet meer zo van polarisatie”, zei Sterkenburg.

Hij hoopt in de buurt van de Ennemaborg nog heel wat aardappelvelden in natte natuur te veranderen - zo mogelijk met een verbinding met de Dollard, eb en vloed, een stuk dynamiek, spannend.

Maar waarom had ik hoofdpijn? Omdat ik vreemd geslapen had, op een zacht kussen. Het deed zeer in mijn nek, verdoofde mijn hersenen, versluierde mijn ogen en beroerde op den duur zelfs mijn maag.

Maar waarom vertel ik dat ik hoofdpijn had? Omdat ik vind dat dat moet kunnen, hoofdpijn, ook als het eigenlijk over natuurgebieden gaat. En omdat het misschien verklaart waarom mijn indrukken van die dag wazig en verbrokkeld zijn, heel anders dan dit heldere en samenhangende verslag zou doen vermoeden.

Zo staan we opeens op een dijkje bij Bourtange. Bert Speelman, van het Groninger Landschap, heeft het over Zwolse anjers. En daar lopen nog een paar van die Poolse paardjes te grazen en daarachter, bij die bosrand, zie je de Duitse grens.

Het verband tussen dit dijkje en de oude vesting... het verband tussen die vesting en de oude moerassen, die zich uitstrekten van het uiterste noorden tot bij Coevorden... het verband tussen natuur en cultuur, onlosmakelijk met elkaar verbonden in onze landschappen...

En dan rijden we alweer ergens door het Groninger land, vlakke akkers, verre einders, heel veel ruimte. Hier kun je nog van het ene natuurgebied naar het andere zonder in een file terecht te komen. Want ik zei zo net wel iets narrigs over die A7, maar zelfs de snelwegen zijn in Groningen stiller dan ergens anders.

Is dat aardig van Groningen?

Ja, dat is aardig van Groningen.

Als ik maar niet zo misselijk was.

Brokstukken.

Bomen langs de weg.

Oudeschans en Bellingwolde, Nieuweschans en Drieborg - niet noodzakelijk in deze volgorde.

Op de Punt van Reide zagen we een roodborstje. Ik ben benieuwd of ik kan uitleggen wat daar zo grappig aan was.

De Punt van Reide kromt zich aan de westkant om de Dollard en wat de Dollard in de loop der eeuwen ook heeft ondernomen, hoe het hier ook heeft gespookt en gewoed, die punt heeft altijd standgehouden - wat te danken moet zijn geweest aan een bijzondere leemopduiking.

Vanaf de dijk zie je een spits toelopende vlakte met de bekende schrale kwelderbegroeiing, hier en daar onderbroken door de wonderlijke kronkeling van een diep ingesneden slenk.

Hoe je ook over Groningen denkt, dit overtreft alles, hier houdt het op, de rest is water, rivier bij eb en zee bij vloed.

Nou ja, normaal gesproken zie je naar links de industriële installaties van Delfzijl en aan de overkant die van Emden, maar het was nogal nevelig die dag, dus dat hoefde deze keer niet.

Deze keer was het alleen maar natuur en dan gaat er van het lopen in zo'n landschap een diepe rust uit. Je bent in beweging, maar zonder het gevoel dat je ergens heen moet.

Ganzen, steltlopers, een paar tapuitjes. Dat viel allemaal te verwachten. Maar een roodborstje verwacht je in je achtertuin, in het park, het bos, als er maar struiken zijn. En àls je hem dan aantreft in zoiets kaals als een kwelder, dan verwacht je dat hij een verdwaalde indruk maakt.

Deze zat daar prinsheerlijk. Deze zat daar alsof hij van plan was er zijn hele leven te blijven.

Misschien de Jan van Riebeeck onder de roodborsten.

Misschien een geval van gekke-roodborstenziekte.

Misschien had hij ons allang zien aankomen en had hij besloten zich groot te houden.

Terug op de dijk keken we het land in - de Breebaartpolder, waterig weiland. We konden gaan zitten. Tientallen kluten, daar in die polder. Wit met zwart, exotisch en elegant.

De dag was guur begonnen en stilaan zachter geworden, de wind was bijna gaan liggen. Om een uur of halfacht werden de nevels zo dun dat er een zilveren zon verscheen, maar dat was pro forma, een knipoog. Het trok meteen weer wat dichter en dat was goed zo.

Boven het water bij Nieuwestatenzijl kwetterde een groepje boerenzwaluwen. Ze waren terug, helemaal terug.

Nieuwestatenzijl?

Een uitwateringssluis met een paar woningen. Honderd meter verderop merk je er al niets meer van. Daar, in de rietvelden langs de Dollard, heeft Het Groninger Landschap een hut op palen laten zetten, een kiekkaaste, zoals ze zelf zeggen.

We klommen naar boven, gingen naar binnen en begonnen de luikjes open te doen - overal water, overal licht, overal vogels.

Is het geen troostrijke gedachte dat je elke dag wordt beloond met het vallen van de avond?

Die dag viel hij zonder enig gerucht.

Heel even was er helemaal niks mis met Nederland.

Geen vliegtuig, geen trein, geen auto, niets. Alleen maar het schelle geluid van grutto's, afgewisseld door het droevige fluitje van een tureluur of het dwaze gesnater van een wilde eend.

Afgaand water.

Het ontblote slik glinsterde schaamteloos. Vogels, allemaal vergezeld door hun eigen spiegelbeeld, kwamen allengs dichterbij, tot pal onder je neus, en Aaldrick Pot vertelde met gedempte stem dat hij een keer een roerdomp zo dicht voor zijn lens had gehad, dat hij een stap achteruit moest om hem scherp te krijgen.

Maar waarom zou je zo'n vogel nog fotograferen? Waarom had hij hem niet gewoon opgepakt en mee naar huis genomen?

Grutto's, tureluurs, hoge poten, steeds voorover gebogen en dan die lange snavel in het sappige slik, alsof ze bezig waren iets weg te stoppen.

Bergeenden, wintertalingen, buik aan de grond, snavels plat naar voren, alsof ze het slik probeerden op te wippen, alsof ze onder een kleedje probeerden te kijken.

En boven dit alles het zweven van een bruine kiekendief - ook net terug uit Afrika.

Geleidelijk, zonder nodeloos spektakel, zonder het ondergaan van zon, zonder het verschijnen van sterren, vervaagden kleuren en verdwenen vormen. De avond viel niet, hij streek neer, hij maakte de zachtste landing aller tijden.

Zo zaten we daar, op het randje van ons land, en het was niet koud.

Om kwart over negen noteerde ik dat het te donker werd om aantekeningen te maken.

Ik herinner me dat we de luikjes dichtdeden en naar buiten gingen, naar beneden, door het donkere riet terug naar Nieuwestatenzijl, lichtjes aan de sluis, en dat een blauwborst zijn liedje begon te oefenen, en dat in de verte ganzen zaten te joelen, net of er een duizendkoppige verjaarsvisite begonnen was.

    • Koos van Zomeren