Het koloniale sprookje

H.W. VAN DEN DOEL: Het rijk van Insulinde. Opkomst en ondergang van een Nederlandse kolonie

345 blz., geïll., Prometheus 1996, ƒ49,90

In een tijdens de Tweede Wereldoorlog anoniem verschenen studie naar de Tachtigjarige Oorlog heeft Jan Romein eens de fases opgesomd waarin volgens hem geschiedenis geschreven wordt. De tijdgenoot, zegt hij, kan geen afstand nemen en ziet het gebeuren lyrisch (1). Pas als enige tijd verstreken is, wordt een 'gezeefde werkelijkheid' (2) mogelijk. In een derde fase kan van het gezeefde materiaal een eerste, aaneensluitend verhaal gemaakt worden. Het verleden wordt epos (3). Vervolgens komt het moment van duiding. Men wil niet langer vertellen maar begrijpen (4). Dat vermogen is de tijdgenoot niet gegeven.

Het is pas een volgende generatie die daartoe in staat is. Pas na dit begrip is een reconstructie van het gebeuren mogelijk: de verwarrende veelheid aan lijnen en verwikkelingen worden in een visie teruggedrongen; het epos wordt beeld (5). Als dit gebeurd is - aldus nog steeds Jan Romein - volgt uiteindelijk een zesde en wetenschappelijke fase (6). “In de plaats van het geconstrueerde geheel, treedt opnieuw het detail (...). In de plaats van het sythetisch begrip treedt het analytisch inzicht.”

Hoe aanvechtbaar ook, dit historiografisch schema kan ook goede diensten doen bij een analyse van de geschiedschrijving van Nederlands- Indië. Hoewel dit koloniale rijk net als de Tweede Wereldoorlog voltooid verleden tijd is, zullen zolang de tijdgenoten in leven zijn, alle historiografische varianten door elkaar bestaan.

Zo is het werk van Rob Nieuwenhuys dat tussen het eind van de jaren '50 en halverwege de jaren '80 verscheen onmiskenbaar episch. Datzelfde geldt in mindere mate voor de boeken over Nederlands-Indië die bijvoorbeeld A.

Alberts en Paul van 't Veer in dezelfde periode publiceerden. Maar die boeken staan al op de grens van een volgende fase. Jongeren als Kousbroek en Brouwers zijn uit een ander perspectief daarentegen lyrisch, terwijl leeftijdgenoten als Cees Fasseur of Jan Bank een begin met de wetenschappelijke bestudering gemaakt hebben, zelfs van de laatste jaren van het koloniale rijk.

Hoezeer het beeld van die laatste jaren bepaald wordt door emoties (en dus lyrisch is), hebben we onlangs in de discussie over het optreden van Nederlandse militairen kunnen zien.

Ook in de geschiedschrijving van Nederlands-Indië is de eerste historiografische fase dus voorlopig niet voorbij. Toch is het natuurlijk al lang tijd dat ook deze lastige hobbel van het recente, Nederlandse verleden nuchter in kaart wordt gebracht.

Daartoe is eerst een overzicht nodig - een ander overzicht dan vlak vóór de Tweede Wereldoorlog onder redactie van F.W. Stapel gepubliceerd werd.

De kolonie bestond toen immers nog en daarvan draagt dat werk dan ook alle sporen. In de AGN (Algemene Geschiedenis der Nederlanden) die een vijftiental jaren geleden verscheen, werd al eerder geprobeerd zo'n overzicht te geven maar dat overzicht leed onder het manco van heel het werk: het bestond uit louter brokstukken; in de chaos van wetenschappelijk verantwoorde detailstudies verdween het panorama.

Beschavende taak

Met andere woorden, aan een handzaam overzichtswerk als onlangs door H.W. van den Doel gepubliceerd werd, bestaat grote behoefte.

Ook al door de uitvoerige bibliografie zal Het rijk van Insulinde voor komende jaren het vertrekpunt zijn van alle studie naar dit deel van ons koloniaal verleden. Van den Doel heeft door een afwisseling van chronologische en systematische hoofdstukken het boek ook bewust zo opgezet dat eenieder erin kan vinden wat hem interesseert - en voldoende heeft om zich tegen af te zetten of om van uit te gaan. Hij begint met de geboorte van de kolonie (VOC, Engelse oorlogen, liberale gedachten eind 18de, begin 19de eeuw), beschrijft vervolgens de vestiging van het koloniaal gezag op Java en de instelling van het Cultuurstelsel. Dan komt een hoofdstuk over de verschillende soorten Nederlanders die in Indië actief waren (soldaten, zendelingen, wetenschapslui), over het koloniaal bestuur, de verovering van de buitengewesten en de 'beschavende taak' die Nederland eind 19de eeuw voor zichzelf in de Oost zag weggelegd.

Een onmisbaar hoofdstuk over Holland in de tropen ('tempo doeloe') wordt gevolgd door een beschrijving van de nationalistische beweging en de veranderingen die in de jaren '20 en vooral '30 plaatsvonden. De inval van Japanners was, aldus Van den Doel, slechts de doodsteek van 'een reus op lemen voeten'. In een epiloog wordt de onafhankelijkheid en het vertrek van de Nederlanders beschreven: Nederlands-Indië wordt Indonesië; de geschiedenis daarvan, zegt Van den Doel terecht, is een ander verhaal.

Dit alles zou in een bestek van 300 pagina's tot de bekende 'handboeken-matheid' kunnen leiden, een opsomming van feiten die vergeten worden zodra ze gelezen zijn. Maar Van den Doel (geboren in 1962) is van een andere generatie dan die van de klassieke compilatoren. Hij is het produkt van de informatie-samenleving en weet dat meer gegevens het inzicht zelden vergroten en bijna altijd de ruis doen toenemen. Ieder hoofdstuk bestaat daarom uit een aantal 'illustraties', ingeklemd tussen een algemene inleiding en een korte conclusie. De toon waarop het geheel geschreven is, is die van een nieuwsgierige, licht verbaasde buitenstaander. Op iedere pagina lijkt hij te willen zeggen: “Wist jij dat zoiets fascinerends onderdeel is van die 'saaie' vaderlandse geschiedenis?”

Het is een toon waar Van den Doel om andere reden ook bewust voor kiest. Zo zet hij zich op de laatste pagina's van zijn boek af tegen historici die in het koloniaal verleden van Nederland niets dan uitbuiting willen zien. Zelfs als dat het geval zou zijn (wat hij ontkent), dan nog is het een zinloos uitgangspunt. Het bevestigt immers slechts wat aangenomen wordt. Ook heeft Van den Doel er bewust voor gekozen de geschiedenis van Nederlands-Indië te schrijven, dus van de activiteiten en invloed van Nederlanders in Indië. En dat is niet hetzelfde als de ontwikkelingen van de Indonesische samenleving.

Minderheid

Wat dit betreft beklemtoont hij wat in modern onderzoek naar Europa's koloniale verleden steeds duidelijker wordt maar waar in de recente, nationalistische fase van de historiografie achteloos aan voorbij werd gegaan: dat de koloniale beheersing slechts het topje van een berg was. In 1880 woonden er niet meer dan 60.000 Europeanen in Nederlands-Indië. De meerderheid daarvan verbleef op Java dat een bevolking van een kleine 20 miljoen had. Elders op de archipel bestond de volledige koloniale macht uit 'vier honden en een paardekop'.

De gedachte dat die in staat zouden zijn het gezag uit te oefenen over een onbereikbare (slechte wegen, oerwoud) bevolking van honderdduizenden, is ronduit dwaas. De geschiedenis van Nederlands-Indië, zoals door Van den Doel verteld, is dan ook slechts het verhaal van die Nederlandse minderheid; de meerderheid werd door die heersende groep zeker beïnvloed maar nooit liepen beider geschiedenissen parallel. Het is een cruciale constatering.

In het schema van Romein past dit overzichtswerk van Van den Doel in de vierde fase. Het is niet langer epos maar een poging tot duiding. En zo betaamt het ook de generatie die het beschreven verleden niet heeft meegemaakt. Dat het voor dit 'begrip'

wellicht wat vroeg is, toont de enige structurele zwakte van het boek. Ieder hoofdstuk wordt afgesloten door een stukje tekst. Het is één fragment uit duizenden, uit memoires, 19de-eeuwse verhalen, oude brieven. Het is alsof de schrijver zeggen wil: het vertellen is niet voorbij. Zoals de titel van het boek dit ook suggereert blijft de geschiedenis van Nederlands-Indië voorlopig nog een sprookje.