Groeiend zelfvertrouwen

Mijn broer en ik moesten allebei voor zaken, voor heel verschillende soorten zaken, naar Tsjechië. We kwamen allebei onder de indruk terug. Hij had voor Nederlandse begrippen volstrekt verouderde machineparken gezien, maar alles was goed onderhouden en functioneerde nog uitstekend, dankzij de zorg van goed opgeleide en gemotiveerde ingenieurs en monteurs.

Ik bezocht het instituut voor postacademisch medisch onderwijs en kon alleen maar jaloers zijn op de kwaliteit van de voorzieningen. In de bibliotheek was het tijdschriftenbestand nog beperkt, maar de data-informatie inmiddels al wel geheel geautomatiseerd, je struikelde er over de fotokopieerapparaten en in de leslokalen zoemden de videorecorders. Het restaurant was geprivatiseerd en de overnachtingsmogelijkheid voor de cursisten was opgewaardeerd tot het niveau van een middenklassehotel.

Vijf jaar geleden ging ik met een aantal collega's voor het eerst naar Praag om te kijken op welke manier vanuit Nederland hulp geboden zou kunnen worden bij de herstructurering van de gezondheidszorg. Overal hing nog de grauwsluier van het oude bewind en in het ministerie van volksgezondheid leek het nooit helemaal dag te worden. Alles moest veranderen, maar eigenlijk wist niemand hoe en waar te beginnen. Bovendien was er geen geld, niet om het oude systeem in stand te houden en niet om met een nieuwe opzet te kunnen concurreren.

In veel landen van het Oostblok is dat allemaal nog steeds zo, maar in Tsjechië is het gelukt de eerste grote sprong te maken en daarbij ook nog niet al te ongelukkig terecht te komen. Zo heeft men de overgang weten te maken van een volledig vanuit het ministerie gedirigeerd en gefinancierd gezondheidszorgsysteem naar een gedecentraliseerd en in belangrijke mate geprivatiseerd systeem, dat gefinancierd wordt uit de opbrengsten van de ziektekostenverzekeringen. Inmiddels dreigt het verzekeringsselsel wel weer bijna te bezwijken onder de uitvoeringsproblemen en is de verhouding tussen de artsen en de regering op zijn zachtst gezegd gespannen, maar dat is in Duitsland en Nederland, landen waar de Tsjechen zich graag mee vergelijken, natuurlijk niet veel anders. Toen ik er was, vlak voor Pasen, dreigde een artsenstaking en had de nog redelijk nieuwe minister van volksgezondheid - de vorige had het bij de artsen zozeer verbruid dat hij op moest stappen - heel wat aan het parlement uit te leggen.

Iedereen die ik sprak - van de onderminister van volksgezondheid tot de artsen in de praktijk - vond dit soort krachtmetingen tussen de verschillende partijen in de gezondheidszorg volstrekt vanzelfsprekend. Als je niet beter wist, zou je denken dat het allemaal altijd al zo geweest is. Eigenlijk is dat ook wat me het meest is opgevallen bij dit tweede bezoek aan Tsjechië: het lijkt wel of men thuisgekomen is en met een bijna natuurlijke vanzelfsprekendheid de aansluiting bij de vormen en de praktijken van het Westen heeft gevonden.

Dat geldt niet alleen voor de gezondheidszorg, je ziet het in het straatbeeld van Praag en heus niet alleen in het door toeristen gedomineerde centrum van de stad. Je merkt het ook als je met de mensen spreekt. Vijf jaar geleden overheerste nog de boosheid over het verleden. “Voor de oorlog waren wij rijker en moderner dan Nederland”, kreeg ik toen vaak te horen. Nu wordt er al onverbloemd gesproken over een lidmaatschap van de Europese Gemeenschap. Het idee te moeten wachten tot Hongarije of Polen ook zo ver zijn, is nauwelijks minder dan een belediging. Tsjechië is een Westers land, dat zich gedwongen een tijd anders heeft moeten voordoen.

De bitterheid over het verleden en de vele verloren jaren heeft inmiddels plaatsgemaakt voor een behoorlijk gevoel van zelfvertrouwen. Er heerst een aanstekelijke vitaliteit en er wordt hard gewerkt. Waar ik vijf jaar geleden nog vaak een onbestemde somberheid en traagheid voelde, viel me nu de opgewektheid en het veel hogere tempo op. De werkloosheid is laag, de inflatie beperkt, de welvaart groeit en aan geld is geen gebrek. Natuurlijk zijn er veel mensen die het eerder slechter dan beter gaat en het verschil in betaling tussen de publieke en de private sector is onaanvaardbaar groot aan het worden. Een cursusleider van het instituut voor postacademisch medisch onderwijs stak mij bij vertrek nog snel de fraaie brochure toe van de privékliniek waar hij twee dagen per week werkte. Daarvan betaalde hij zijn huis, de grote Audi en het strakke Boss-pak. De onderminister van volksgezondheid moet het met alleen een overheidssalaris doen. Wij namen afscheid bij de tramhalte. “We gaan goed vooruit”, zei hij terwijl hij instapte, en hij had het niet over de tram.

    • Paul Schnabel