Een monument voor het kinderwerk

BERT JAN FLIM: Omdat hun hart sprak.

Geschiedenis van de georganiseerde hulp aan Joodse kinderen in Nederland, 1942-1945, 539 blz., Kok 1996, ƒ69,-tekst

In 1972 luidde een van de stellingen bij het proefschrift over het ontstaan van De Bezige Bij, dat Presser in zijn standaardwerk Ondergang (1965) te weinig aandacht had besteed aan het Kinderwerk. De Bezige Bij was immers ontstaan uit het Utrechts Kindercomité, dat van medio juli 1942 af onderduikadressen voor joodse kinderen had verzorgd.

Nu, nog geen kwart eeuw later, is het standaardwerk over de hulp aan joodse kinderen verschenen. Bert Jan Flim promoveerde op het boek, getiteld: Omdat hun hart sprak. Geschiedenis van de georganiseerde hulp aan joodse kinderen, 1942-1945. Niet, zoals in de voorgeschiedenis van De Bezige Bij, een summiere beschrijving van één hulpgroep voor joodse kinderen, maar een beschrijving van de vier organisaties die zich met dit kinderwerk bezighielden: het Utrechts Kindercomité, de Amsterdamse Studentengroep, de Naamloze Vennootschap (kkNVxx)en de Trouwgroep (naar het illegale blad Trouw).

Flim beschreef de organisaties niet alleen systematisch, maar ook minutieus. Deze geschiedenis is zo gedetailleerd uitgezocht, dat je soms ademloos doorleest, opgenomen in het labyrint van herinneringen van de hoofdrolspelers. Niets heeft Flim overgeslagen. Hoe kwamen die meisjes en jongens ertoe, zich in dat kinderwerk te storten? De titel van het boek zegt genoeg: omdat hun hart sprak. Maar Flim nam daar geen genoegen mee. Hij heeft in de beste techniek van oral history de nog levende hoofdrolspelers het hemd van het lijf gevraagd om dat 'spreken van het hart' op meeslepende wijze te kunnen detailleren.

Hij wil weten welke elementen in de opvoeding, welke toevallige ontmoetingen en welke idealen hen hebben gemotiveerd en op welke netwerken zij in eerste instantie konden terugvallen; en vervolgens, hoe zij, toen hun natuurlijke netwerk verzadigd was, hun actieradius hebben uitgebreid. Piet Meerburg trok, toen zijn adressen 'op' waren, naar Friesland en het kostte hem heel even moeite - 'twee keer slikken' - toen hij met de gereformeerde Sjoerd Wierdsma in zee moest gaan.

Emotionele lading

Daarnaast spelen de kinderen zelf een hoofdrol. Hoe werden ze ondergebracht, hoe vaak moesten ze verhuizen, hoevelen hebben het eind van de oorlog gehaald?

Wat dit laatste betreft: slechts 3,5 procent van de kinderen die op deze wijze waren ondergebracht, is alsnog opgepakt en vermoord. Het feit dat Flims familie ten diepste betrokken was bij het werk van de kkVNxx - het wordt niet uitgesproken maar je merkt het aan de naam Flim, die telkens opduikt - geeft zijn boek een onderhuidse emotionele lading.

Flim heeft zijn taak inderdaad niet licht opgevat. Voor wie zijn onderzoek van het begin af, zij het op afstand heeft gevolgd, is het verrassend te zien, hoe hij in dit werk is gegroeid.

Een studie, die aanvankelijk leek te verdrinken in de details, kreeg in de loop der jaren een volwassen allure.

Over het naoorlogse lot van de joodse oorlogspleegkinderen heeft Elma Verhey uitvoerig geschreven. In de illegaliteit werd een wetsontwerp voor de regering te Londen voorbereid. Hierin ging het om de vraag of de kinderen zonder meer aan één overlevende ouder konden worden teruggegeven en of ze, in geval ze wees waren, in hun pleeggezin zouden blijven dan wel aan de joodse gemeenschap zouden worden teruggegeven. Vooral onder invloed van Gesina van der Molen van de Trouw-groep bestond de neiging kinderen in hun pleeggezinnen te laten, een houding die door Elma Verhey streng veroordeeld is. Dit oordeel wordt door Flim in het licht van de ontwikkeling als geheel gerelativeerd.

In 1992 werd in Amsterdam de conferentie gehouden van The Hidden Child, waarin zij, die eens een ondergedoken joods kind waren geweest, over hun problemen spraken, een thema, waaraan Judith Herzberg reeds in 1982 haar toneelstuk Leedvermaak had gewijd.

Naarmate de mensen ouder worden, kwam het verleden in hevigheid terug. Hierdoor was Flim precies op tijd met zijn studie, de tijd was er rijp voor, en hij heeft getoond het juiste formaat te hebben, deze brandende materie aan te kunnen. Zijn laatste beschouwing wijdt Flim aan een groep waarvan men niet altijd denkt dat ze aandacht nodig heeft: de kinderwerkers zelf. “Al terugblikkend winnen de vertragingen en fouten van destijds aan belangrijkheid (...) heb ik mijn werk wel goed genoeg gedaan? Aldus schuilt er een tweede tragiek in het kinderwerk: het feit dat het een deel der betrokkenen na de oorlog nooit meer heeft losgelaten.”

Tegenover de Hollandsche Schouwburg in de Plantage Middenlaan te Amsterdam huldigt een bronzen plaquette 'allen die tijdens de Duitse bezetting hebben geholpen joodse kinderen voor deportatie te behoeden'. Naast dit simpele ereteken is de dissertatie van Bert Jan Flim een groots monument voor alle betrokkenen. De gewezen pleegkinderen kunnen er in terugvinden hoe het kwam, dat ze ineens van hun ouders gescheiden werden; de ouders kunnen er de rechtvaardiging van hun daad in vinden; en de helpers kunnen nalezen, hoe alles in zijn werk ging.

Het zijn de dingen die niemand kan overzien op het moment dat ze gebeuren. Misschien kan er dank zij deze liefdevolle geschiedschrijving voor velen nu een streep onder worden gezet.