De wolk van droefheid

JAY WINTER: Sites of Memory, Sites of Mourning. The Great War in European Cultural History

310 blz., geïll., Cambridge University Press 1995, ƒ69,45

Op 11 oktober 1914 sneuvelde de vader van Albert Camus. Hij viel in de slag om de Marne, de eerste grote veldslag op het westelijke front van de Eerste Wereldoorlog. In zijn onvoltooid gebleven autobiografische roman De eerste man probeert Camus, die op het moment van zijn vaders gewelddadige dood nog geen jaar oud was, zich voor te stellen hoe zijn moeder, een volksvrouw uit Frans-Algerije, het bericht van het overlijden van haar man moet hebben ondergaan. Het onverwachte bezoek van de plaatselijke burgemeester die haar de droeve mededeling komt brengen, moet voor haar haast onbegrijpelijk zijn geweest, zoals ook de begeleidende brief, met daarin de obligate woorden, dat haar man een dappere soldaat was, geliefd bij zijn kameraden, en dat hij een glorieuze en pijnloze dood voor het vaderland was gestorven, voor de ongeletterde vrouw betekenisloos was. Ze begreep die hele oorlog niet. Bij de Franse patrie en de Duitse erfvijand kon ze zich al nauwelijks iets voorstellen, laat staan bij zulke vreemde zaken als Oostenrijk-Hongarije, Servië en een vermoorde aartshertog.

Camus herinnert zijn lezers er scherp aan, hoezeer de Eerste Wereldoorlog in het leven van zijn moeder, zoals in het leven van talloze andere Europese en buiten-Europese burgers, een dramatische invasie van de wereldgeschiedenis was - ingrijpend als een natuurramp. Aan de andere kant vormen de zinloosheid van zijn vaders dood en de onmogelijkheid voor zijn moeder er enige betekenis aan te geven, een krachtige impuls voor de ontwikkeling van zijn eigen, moderne en absurdistische wereldbeeld.

Onder historici die zich de vraag naar de culturele betekenis van de Eerste Wereldoorlog stellen, is deze laatste interpretatie, Camus' eigen lezing, dominant; de oorlog was de barensnood van de moderne cultuur. Met de soldaten sneuvelden ook de negentiende-eeuwse zekerheden in de modder van de loopgraven.

Sinds 1914-1918 beheersen absurditeit, nihilisme, ironie en als ideologische waarheid verkochte drogbeelden het intellectuele discours. Eer, glorie, patriottisme en opofferingsgezindheid zijn na de Eerste Wereldoorlog holle begrippen geworden, hooguit nog cynisch aan te wenden. Het is een visie die enkele jaren geleden krachtig verwoord is door de Canadese historicus Modris Eksteins in zijn ook in het Nederlands vertaalde Rites of Spring. The Great War and the Birth of the Modern Age.

De Britse historicus Jay Winter is het met deze, wat hij noemt, 'modernistische interpretatie' van de Eerst Wereldoorlog in het geheel niet eens. Zijn Sites of Memory, Sites of Mourning. The Great War in European cultural history, inmiddels zijn vierde boek over 1914-1918, is in feite één grote polemiek tegen deze al zo'n twintig jaar gangbare these. Winter verwijt de cultuurhistorici hun eenzijdige interesse voor de hoge cultuur, hun obsessie met de oorsprong van de moderniteit, en hun overmatige aandacht voor bekende, gecanoniseerde teksten - voor, in dit geval, de Célines, de Eliots en de Jüngers. Het beeld van een door het conflict ontworteld en gebrutaliseerd Europa dat uit hun werk oprijst, acht hij bezijden de waarheid.

Bovenmatig stoort Winter zich aan de vaagheid van de cultuurhistorische vraagstellingen, aan de eclectische syntheses en aan de niet zelden sterk metaforische begripsvorming. Het is een alleszins gezonde houding.

Gewone burger

Zelf keert Winter het perspectief volledig om. Volgens hem veroorzaakte de Eerste Wereldoorlog - inderdaad de eerste moderne, totale oorlog - een versterkte terugkeer naar negentiende-eeuwse tradities en denkkaders. Zijn belangstelling ligt primair bij de vraag naar de betekenis die de oorlog had voor de gewone burger, voor de moeder van Camus bijvoorbeeld. Die aandacht verraadt Winters oorsprong als sociaal historicus. Daarnaast laat hij zien dat veel van wat in de recente literatuur als modern aangemerkt wordt, evenzeer in deze overgeleverde romantische, klassieke of religieuze termen moet worden begrepen.

De centrale en existentiële ervaring voor de miljoenen die met de oorlog te maken kregen, zo betoogt Winter, was het verlies van een dierbaar familielid - van een zoon, een broer, vader, neef of oom. Ieder die iets over de culturele betekenis van de oorlog te berde wil brengen, dient hier te beginnen; bij de 'cloud of grief' die boven Europa hing. Het was de smart waarvan de vele oorlogsmonumenten, die tot in de kleinste gehuchten van Frankrijk, Engeland en Duitsland te vinden zijn, de stille getuigen zijn. Zij geven ook een indruk van de enorme omvang van het verlies. De primaire betekenis van deze doorgaans traditionele, zij het zelden met heroïsche voorstellingen uitgevoerde gedenktekens, is voor de hedendaagse bezoeker verloren gegaan. Deze merkt meestal wel de politiek-ideologische, nationalistische of christelijke lading van de bouwwerken op, maar hem ontgaat de existentiële betekenis. Het oorlogsmonument was bovenal de plaats waar de familie en de lokale gemeenschap uitdrukking kon geven aan de gevoelens van rouw. Waar het lukte die gevoelens vorm te geven, gebeurde dat op traditionele wijze, met romantisch-religieuze voorstellingen die juist door hun rituele karakter troost brachten en zin aan het verlies konden geven. De echte moderne kunst, zo stelt Winter terecht vast kon wel uitdrukking geven aan de angst, de kwaadheid en de ontgoocheling, de treurende families bood zij geen enkele verlichting.

Rouwen geschiedde bij voorkeur aan het graf van de overledene. De familie wilde veelal de gesneuvelde soldaat in de geboorteplaats ter aarde bestellen.

Opvallend was hier het verschil tussen de Fransen en de Britten. Engeland besloot al in 1916 dat de omgekomen soldaten in Vlaanderen en Noord-Frankrijk in militaire begraafplaatsen van de staat begraven zouden worden. Voor de Fransen lag dit anders. Voor veel katholieken was de gedachte aan een staatskerkhof voor hun zoon onverdraaglijk. De scheiding tussen kerk en staat, geëffectueerd in 1905, en de langdurige Dreyfus-affaire, die tot een conflict tussen de Roomse kerk en de republiek had geleid, lagen nog vers in het geheugen. Na 1918 werden de lichamen dan ook uit Noord-Frankrijk teruggehaald.

Tot 1920 gebeurde dit illegaal, daarna werd het macabere werk van opgraven en identificeren tot 1923 bij wet toegestaan. Zo'n 300.000 gesneuvelde soldaten, ongeveer veertig procent, gingen daadwerkelijk terug naar hun geboorteplaats.

De terugkeer van de soldaten werd, in figuurlijke zin, ook een veelgebruikt thema van het nieuwe massamedium film, bijvoorbeeld in J'Accuse uit 1919, een film van Abel Gance. De doden verrijzen om te kijken of zij hun offers niet voor niets hebben gebracht. Populair in de eerste naoorlogse jaren waren ook de spiritistische seances, geestenbezweringen die Winter in het perspectief van de wederoplevende volksreligiositeit sinds het midden van de negentiende eeuw plaatst: tussen Maria-cultus of heiligenverering en de occulte verschijning van de geesten der gesneuvelden was de grens vaag. Hoe wijd verbreid deze buitenkerkelijke religiositeit was, wordt volgens Winter goed geïllustreerd door het feit dat Sir Arthur Conan Doyle, schepper van de rationalistische speurder Sherlock Holmes, na de oorlog waarin een zoon en een broer omkwamen, een fervent verdediger van het spiritisme werd. Winter benadrukt dat zulke modes, als aanwijzing voor het gewicht waarmee het verlies van de dierbaren op de nabestaanden drukte, voor die psychische toestand, door de cultuurhistoricus serieus moet worden genomen.

Het zijn deze niet-moderne, archaïsche denkwijzen die ook aan veel oorlogskunst ten grondslag liggen. Overtuigend laat Winter zien hoe in het werk van de schilders Otto Dix en Max Beckmann bijbelse thema's - geliefd zijn de Apocalyps en de wederopstanding van Christus - gebruikt worden om de oorlog een rituele betekenis te geven. De traditie reikt hier tot in de vorm: Dix gebruikt de verhalende, middeleeuwse triptiek. In oorlogspoëzie en -literatuur werd eveneens veelvuldig op christelijke voorstellingen teruggegrepen - en dan niet om deze als absurd te ontmaskeren.

Winter heeft een opmerkelijk boek over de Eerste Wereldoorlog geschreven.

Polemiek tegen bestaande opvattingen en empatische beschrijving van het verleden zijn hier op geslaagde wijze verbonden. En nooit eerder was ik een beschrijving tegengekomen van bijvoorbeeld 'spirit photographs', naoorlogse foto's met vreemde, witte vlekken - de teruggekeerde geesten, zo meende de maakster, van gesneuvelde soldaten; van Franse 'Images d'Epinal', een oud soort volksprenten, die vanaf 1914 met naïef-romantische voorstellingen van de strijd voor het laatst in enorme oplagen werden gedrukt en verkocht; of van oorlogskitsch als de bronskleurig geverfde gipsen Hindenburgjes, “als dauerndes Andenken an die grosse Zeit des Weltkrieges”, ook verkrijgbaar in een afgietsel van 'Kriegsmetall'.