Colbert in België

HANS BROCKMANS: 200 jaar filiaal. De Franse greep op de Vlaamse economie

295 blz., Davidsfonds/Tirion, 1995, ƒ42,50

Soms vraagt men zich af of het begrip België niet steeds meer aan relevantie verliest. De gewesten krijgen er steeds meer autonomie. Sinds 17 maart bezit Vlaanderen een eigen parlementsgebouw. In principe kan het tegenwoordig zelfs zijn eigen economisch beleid voeren. Maar economische autonomie betekent niet meteen bevrijding van alle banden. In de economie heeft men nooit de markt voor zich alleen.

En op dat vlak erft Vlaanderen een probleem, het zogenoemde verankeringsprobleem, de achillespees van de Vlaamse economie.

Het woord verankering komt in deze context uit het vocabulaire van minister-president Luc van den Brande.

Er wordt mee bedoeld de maximale aanwezigheid van Vlaamse aandeelhouders in ondernemingen die in Vlaanderen werk verschaffen. Er bestaat een officieel rapport dat in de Belgische industriële sector 54 procent van de werkgelegenheid wordt verschaft door werkgevers die al dan niet rechtstreeks onder controle staan van een buitenlandse groep.

Waarnemers zijn zich ervan bewust waar de schoen wringt. In België heeft een middelgrote onderneming amper groeikansen. De Belgen zijn een volk van spaarders en het is er ontzettend moeilijk om risicokapitaal te vergaren. Het geld is er, ruimschoots, maar de Belg investeert het niet. Er zijn veiliger beleggingsvormen.

Aan dit debat is nu een militante stem toegevoegd, die van Hans Brockmans, auteur van 200 jaar filiaal. Brockmans drijft in dit boek de discussie op de spits met drie stellingen: de overmatige buitenlandse invloed zou vooral Frans zijn, het zou daarbij gaan om een bewuste poging tot economische annexatie van Franse zijde, en de enige redding zou liggen in een doorgedreven federalisering.

Het boek ontleent zijn titel aan de eerste twee stellingen. Sinds de inlijving van België bij de Franse republiek in 1795 heeft - ondanks 15 jaar Nederlandse bestuur - zich hardnekkig een Franse connectie gevestigd.

De auteur heeft de neuzen geteld en stelt vast dat het financieel-economisch establishment in België nog altijd goeddeels bestaat uit een gesloten Franstalige kaste, een elite die haar positie dankt aan een hoffelijke camaraderie met Franse vrienden.

Opluchting De alliantie vertolkt zich naar verluidt in een voorkeursbehandeling van Franse bedrijven bij overname van Belgische ondernemingen en bij privatiseringen van overheidsbedrijven. Men herinnere zich de commotie in 1988 rond de poging van Carlo de Benedetti om Belgiës sieraad, de Generale Maatschappij, over te nemen. Alle krachten werden ingeschakeld om het patrimonium te vrijwaren. Aan het einde van het verhaal werd het toevertrouwd aan Suez, een Franse holding. De opluchting was groot. Blijkbaar zijn Franse handen veilige handen.

Brockmans geeft een indrukwekkend aantal voorbeelden, en besluit: “Zo schendt de Belgische overheid de principes van de vrije markt en discrimineert zij ten voordele van 'Belgische' bedrijven die bij nader inzien Frans blijken te zijn.” Een komplottheorie of een alarmerend noodbericht? Bij nader informeren lijken alvast sommige klachten ietwat geforceerd.

De auteur heeft de breeddenkenden niet aan zijn kant. Zij zien in een strijd voor verankering een achterhaald romantisme: een kapitalist blijft een kapitalist, al was hij een landgenoot. Brockmans leest evenwel bij gezaghebbende studies dat de zuiver economische regulatiebeginselen slechts gelden in normale omstandigheden. Bij laagconjunctuur zal de manager gevraagd worden de tering naar de nering te zetten. Op zulke ogenblikken behandelen ondernemingen hun nationale werknemers net iets anders dan de andere.

Brockmans gewaagt van een bewuste Franse strategie. Frankrijk denkt nog altijd in de geest van Colberts mercantilisme. Nergens onderhoudt de staat nauwere betrekkingen met de bedrijfswereld. Er is een permanente uitwisseling van personen tussen beide milieus, mensen van het type Jacques Delors. De grote entrepreneurs denken bijgevolg niet per se economisch. Het nationaal belang is ook van belang.

België zou gezien zijn gekende volgzaamheid uitstekend passen in een geopolitiek plan als tegenzet tegen de Duitse eenmaking. Brockmans citeert in dat verband talrijke Franse zakenlui, diplomaten en journalisten, onder andere een gereputeerd artikel in La Nouvel Economiste, getiteld: 'La France à la conquête de la Belgique'. Kortom, iedereen ziet het weer, behalve de Belgen zelf.

De Fransen, zegt de auteur, zien België als een soort protectoraat, een markt die hun toekomt. Vandaar verontwaardiging als er voor een keer geen discriminatie is ten hunnen gunste. Dat België ondersteboven werd gegooid door een steekpenningenschandaal was niet toevallig naar aanleiding van een Italiaans geval (Agusta), een geruchtenmolen als represaille voor het passeren van de Franse kandidaat.

Brockmans is journalist bij Trends, een weekblad dat liberale economische opvattingen combineert met een overtuigd nationalisme, let wel geen obscuur blad, maar een magazine met een respectabel oplage. De in dit tijdschrift spreekwoordelijke Belgische laksheid is voor Brockmans de schuld van alle onheil. Brussel voegt zich naar de wensen van Parijs.

Maar vooral de overheidsschuld houdt een ommekeer tegen. Zij is verantwoordelijk voor het wantrouwen van de Belg in de sociale zekerheid en dus de oorzaak van zijn angst tot investeren. Er is maar één afdoende remedie: een eigen fiscale politiek die de overheidsschuld omlaag brengt.

Meer Vlaamse autonomie, dat lijkt de eigenlijke teneur van dit boek.

Fundamenteel draait de discussie om een keuze tussen economische modellen. Het klassieke alternatief is duidelijk: een vrije markt of een sociaal gecorrigeerde vrije markt.

Brockmans echter negeert de laatste mogelijkheid en presenteert de nationaal gecorrigeerde vrije markt, hetzij omdat hij in de realiteit alleen die aantreft, hetzij omdat die hem meer aanlokt.

Het gaat om een controversieel boek, om zijn paranoïde flamingantisme bestemd de risée onder de Vlaamse non-fiction te worden, ware het niet dat de auteur bijzonder goed gedocumenteerd uit de hoek komt.

Hij weet zich te beroepen op bronnen van uiteenlopende strekking en zijn boek heeft zelfs een voornaam cachet gekregen met een inleiding van de hand van Robert Senelle, de paus van het Belgische staatsrecht, een strategische zet.

    • Karel Rombaut