Bruno Bettelheim (1903-1990); Pedagoog met losse handjes

NINA SUTTON: Bruno Bettelheim: The Other Side of Madness

xvi + 524 blz., Duckworth 1995, ƒ56,60

“Als een beroemd man sterft en wordt herdacht, dan voelen de mensen die hem gekend hebben vaak een schok van niet-herkenning. Dat overkwam mij onlangs toen ik de berichten las over de dood door zelfmoord op 86-jarige leeftijd van de befaamde psychoanalyticus, schrijver en pedagoog Bruno Bettelheim. De in Wenen geboren Bettelheim, die sinds 1939 in de Verenigde Staten heeft gewoond, werd daar algemeen betreurd als een toonbeeld van inzicht en compassie; voor mij daarentegen, gedurende de twaalf jaar die ik heb doorgebracht als zijn pupil/patiënt, was hij een bullebak, een kwelgeest en een leugenaar.”

Aldus schreef een zekere Ronald Angres in oktober 1990 in het joodse maandblad Commentary. Het grootste deel van zijn jeugd had hij doorgebracht op de Orthogene School, het door Bettelheim geleide instituut voor autistische en andere ernstig gestoorde kinderen in Chicago. “Ik herinner mij nog de schok van mijn eerste ontmoeting met Bettelheim. Ik weet niet of hij mij net zo behandelde als andere kinderen die bij hem kwamen, maar hij hield zich zeker niet aan zijn eigen vaak geformuleerde stelregel dat ieder kind de Orthogene School eerst met eigen ogen gezien moest hebben en moest instemmen met opname.

Ik heb van tevoren niets gezien en ik heb zeker niet ingestemd met opname. Ik wilde hoe dan ook niet van huis weg, en na hem ontmoet te hebben, zou ik nog liever naar de noordpool zijn gegaan dan naar welke plek dan ook die geleid werd door die man.''

Marteling

Voor Ronald Angres was het verblijf op de Orthogene School een marteling geweest: “Hoewel Bettelheim als vanzelfsprekend in woord en geschrift verklaarde dat kinderen nooit geslagen mogen worden, deed hij dat net zo vanzelfsprekend zelf wel. En zo heb ik jarenlang geleefd in angst voor zijn bestraffingen, in angst voor zijn voetstappen in de slaapzalen - in ellendige, dierlijke angst. Ik wist nooit wanneer hij mij zou slaan, of waarom, of hoe hard. Want Bettelheim was trots op zijn onvoorspelbaarheid en zijn onconventionaliteit: als iemand die de geheime diepten van de menselijke ziel doorziet, zwelgde hij in het trotseren van gebruikelijke ideeën over de vraag welke overtredingen belangrijk zijn, of zelfs over wat wel of niet een overtreding is. 'Wat een vijandig karakter!' placht hij over mij en over talloze andere jongens te zeggen, terwijl hij ons publiekelijk sloeg. De lijfstraffen hadden meestal plaats in aanwezigheid van de verzamelde staf; desondanks is er tijdens het bewind van Bettelheim nooit iets over naar buiten gekomen.”

Angres vroeg zich ook af waarom hij eigenlijk indertijd als zevenjarige was opgenomen. Zoveel opmerkelijks was er met hem als kind niet aan de hand geweest. Hij had veel heen en weer gelopen en hij had nog niet kunnen lezen.

Het was zijn vader, een psychoanalyticus, die hem 'gestoord' had gevonden.

Zijn ouders hadden toen Bettelheim geraadpleegd, die vervolgens een buitengewoon sinistere diagnose had gesteld: autisme.

Het artikel van Angres stond niet op zichzelf. Na de dood van Bettelheim verschenen allerlei publikaties waarin werd betoogd dat er meer in het leven van die man niet helemaal kosjer was geweest. Zo had iedereen altijd gedacht dat Bettelheim psychoanalyticus was, dat wil zeggen dat hij vóór de oorlog in Wenen een psychoanalytische opleiding had gevolgd. In werkelijkheid heeft zijn ervaring met het bedrijven van psychoanalyse in Wenen uitsluitend bestaan uit het feit dat hij een klein jaar lang als patiënt in psychoanalytische behandeling was geweest. Geen van de vroegere Weense analytici in Amerika heeft hem ooit verraden.

Ook andere van zijn verhalen bleken niet helemaal te kloppen. Zo heeft Bettelheim in zijn boek over autistische kinderen met de schitterende titel Het lege fort uitvoerig verteld hoe hij in Wenen jarenlang in zijn eigen huis met eindeloos geduld een autistisch meisje zou hebben verzorgd. Het echtpaar Bettelheim heeft in Wenen inderdaad een paar jaar lang een meisje in huis gehad. Het was het dochtertje van een jonge en schatrijke Amerikaanse weduwe, die de zorg voor een kind moeilijk kon combineren met haar mondaine leven. De toenmalige mevrouw Bettelheim heeft zich over het meisje ontfermd. Met haar echtgenoot, de zakenman Bruno Bettelheim, heeft het meisje nauwelijks enig contact gehad, laat staan dat er sprake geweest zou zijn van 'autisme'. Aldus vertelden de direct betrokkenen een halve eeuw later aan de biografe van Bettelheim, de Franse journaliste Nina Sutton. Sutton was al ver gevorderd met haar biografie toen na de dood van Bettelheim vrij plotseling allerlei onfrisse details aan het licht kwamen. Het moet voor haar een onaangename verrassing zijn geweest. Zij is er althans niet in geslaagd dit geheel van schandalen in haar boek te integreren.

Haar biografie opent met een apart hoofdstuk over alle onthullingen na Bettelheims dood, om pas daarna te beginnen met het eigenlijke levensverhaal van Bettelheim. Niet dat zij vervolgens zwijgt over de onaangename details die achteraf bekend zijn geworden, maar zij lijkt er weinig raad mee te weten.

Voor haar blijft Bettelheim een man vol eruditie en compassie, die daarnaast echter ook een aantal merkwaardige duistere kanten had. Mij lijkt deze visie onjuist. Ik denk dat Bettelheim geen man was met een Januskop. Wie weet heeft van de latere schandalen, moet ook zijn zo warm-menselijk lijkende publikaties met andere ogen gaan lezen. Laat ik eens een poging daartoe wagen.

Boeken van Bettelheim staan vol met suikerzoete passages over begrip en liefde voor autistische kinderen. Wie dat allemaal onbevangen leest, denkt hooguit: ik zou zelf nooit in staat zijn tot zoveel zelfopoffering en geduld. En - zoals we nu dus weten - Bettelheim al helemaal niet. Wat is dan toch de bedoeling van dit soort passages? Bettelheim had slechts incidenteel met zijn pupillen te maken; hij dirigeerde vooral zijn stafleden, die ieder op hun beurt weer voor een paar pupillen verantwoordelijk waren. Aan zijn stafleden preekte Bettelheim zijn evangelie van eindeloos geduld en liefde voor gestoorde kinderen. Dat betekent dat stafleden die problemen hebben met een pupil, de fout eigenlijk altijd bij zichzelf moeten zoeken, zo legt Bettelheim in zijn boeken omstandig uit.

Misschien waren die stafleden toch niet geduldig genoeg geweest. Of misschien hadden zij zelfs wel enige irritatie getoond, of zoniet getoond, dan toch wellicht gevoeld, en autistische kinderen voelen zoiets feilloos aan. En indien stafleden zich werkelijk van geen verkeerde gevoelens bewust waren geweest, dan wist de psychoanalyticus Bettelheim hem ervan te overtuigen dat ze onbewust wel degelijk agressieve gevoelens gekoesterd hadden. Kortom, de theorie over liefde en geduld diende om de stafleden te beroven van iedere normale eigen emotie.

Hersenspoeling

Aan Sutton zijn dergelijke overwegingen echter niet besteed. Zij schrijft over de stafleden van Bettelheim: “Zij waren de geprivilegieerde getuigen geweest van zijn krachtige klinische intuïtie.” Een dergelijk imposant klinkend zinnetje lijkt erop te wijzen dat de biografe blijkbaar zelf nog steeds een beetje gelooft aan het beeld van Bettelheim zoals dat tijdens zijn leven bestond. Niet dat haar biografie oninteressant is. Neem wat zij vertelt over die stafleden. Dat waren voornamelijk jonge, mooie vrouwen. Zij woonden intern en moesten min of meer permanent voor hun pupillen beschikbaar zijn.

Zij kregen heel weinig betaald (niet omdat het instituut van Bettelheim arm was - het had bijvoorbeeld een internationaal befaamde collectie moderne kunst) en sommige stafleden waren ook in psychoanalytische behandeling bij Bettelheim.

Een dergelijke gesloten gemeenschap, onder leiding van een intelligente sadist als Bettelheim, moet het effect hebben gehad van een tamelijk gruwelijke vorm van hersenspoeling. Die hersenspoeling is heel effectief geweest: de meeste voormalige stafleden met wie Sutton sprak, waren nog steeds vol lof over hun vroegere directeur. Sommigen vertoonden echter een eigenaardige ambivalentie.

Zoals de vrouw die Bettelheim was opgevolgd als directeur van de Orthogene School. Zij had voorheen veertien jaar onder hem gewerkt. Een paar jaar na zijn vertrek had zij Bettelheim geschreven wat er inmiddels op de Orthogene School was veranderd. Eén van die veranderingen behelsde dat de lijfstraffen waren afgeschaft. Een kopie van dit schrijven deponeerde zij in een archiefcollectie over Bettelheim die voor iedereen toegankelijk is.

De agressieve intelligentie die Bettelheim binnen de muren van zijn Orthogene School tot een zo gevaarlijk man gemaakt heeft, is paradoxaal genoeg ook mede verantwoordelijk voor het prikkelende van veel van zijn publikaties.

Bettelheim heeft over van alles geschreven, en veel van zijn publicaties hebben geleid tot belangrijke discussies. Zo heeft hij als een der eersten geschreven over de Duitse concentratiekampen, en dat is op zichzelf al een verdienste. Hij heeft zelf enkele maanden - niet 'een jaar' zoals hij altijd beweerd heeft - doorgebracht in Buchenwald en Dachau. Hij zag daar, zo schrijft hij, zijn medegevangenen al snel veranderen in “pathologische leugenaars, niet in staat tot het beheersen van hun emotionele uitbarstingen van woede of van wanhoop, niet in staat om situaties objectief te beoordelen”, et cetera. En zo ontstond een andere vraag: “Hoe kan ik mijzelf ertegen beschermen om net zo te worden als zij?” Zo'n passage krijgt in het licht van het latere schandaal een extra dimensie waarvoor Sutton geen oog heeft.

Schade

Bettelheims agressieve intelligentie heeft niet alleen kwalijke gevolgen gehad. Zo stonden de Amerikaanse joden eind jaren veertig als één man achter Israel. Bettelheim vroeg zich toen publiekelijk af of zij net zo enthousiast zouden zijn over het voorstel om Amerika terug te geven aan de indianen.

Bewondering voor een dergelijk scherpe opmerking moet ons echter niet doen vergeten hoe groot de schade is die door Bettelheim is toegebracht - aan pupillen van zijn Orthogene School, maar ook aan de behandeling van autisme in het algemeen. Bettelheim heeft altijd betoogd dat kinderen autistisch worden omdat zij ooit, in hun vroege jeugd, goede redenen hebben gehad om zich af te sluiten voor iedere communicatie. Kortom, autisme is in de meeste gevallen de schuld van de ouders. Een dergelijke visie zadelt zulke ouders op met een ondraaglijk en onnodig schuldgevoel - onnodig, omdat er in werkelijkheid zo goed als niets bekend is over de oorzaken van autisme. Ook heeft Bettelheim altijd gelogen over zijn therapeutische successen; in vage bewoordingen heeft hij altijd beweerd dat veel van zijn pupillen sterk verbeterd waren. De waarheid is helaas dat er aan echt autisme nauwelijks iets te verhelpen valt.

    • Han Israëls