Waar is de sleutel van de wodkaschuur; Roddy Doyle's monoloog van een werkster

Roddy Doyle: The Woman Who Walked Into Doors. Uitg. Cape, 226 blz. Prijs ƒ 33,30. Vertaling: Rob van Moppes (De vrouw die tegen de deur aan liep), Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 202 blz. Prijs ƒ 34,90

Roddy Doyle kan alles. Schijnbaar moeiteloos overbrugt hij de afstanden tussen de klassen, zoals in zijn vroege werk, tussen de generaties, zoals in zijn succesvolle Paddy Clarke Ha Ha Ha, en nu ook nog die tussen de seksen in zijn nieuwste roman, The Woman Who Walked Into Doors. Zijn roman Paddy Clarke Ha Ha Ha werd in 1993 bekroond met de Booker Prize en vervolgens de best verkochte Bookerroman aller tijden.

Het was dan ook de ideale kandidaat voor die grote prijs, omdat Doyle de zeldzame kwaliteit bezit zowel een breed als een verwend publiek te plezieren. Hij heeft een ongewoon scherp oog voor veelzeggende details. Hij weet zelfs het aansteken van een sigaret zichtbaar en bijna ruikbaar te maken. Eenmaal ondergedompeld in de wereld die de schrijver oproept, lijken de dialogen zo vanzelfsprekend, dat het niet meer opvalt hoe briljant ze zijn. Authentiek, dat is het vaak misbruikte maar hier zeker toepasselijke woord. Wie een idee wil krijgen van de belevingswereld van de Ierse arbeidersklasse in arme naoorlogse jaren leze zijn eerste romans, verzameld in de 'Barrytown Trilogy', over het kleine, diepe verdriet van een nietig Iers schooljongetje: Paddy Clarke.

The Woman Who Walked Into Doors is een heel ander boek. Het is geschreven als de monoloog van een 39-jarige vrouw, een werkster. Paula is een alleenstaande moeder van een paar kinderen, zwaar verslaafd aan alcohol. Haar man, die ze niet lang geleden uit huis heeft gezet, wordt aan het begin van het boek doodgeschoten bij het plegen van een roofoverval. Haar verhaal, een terugblik, beschrijft haar aanvankelijk gelukkige jeugd en haar daarmee vergeleken bittere huwelijksjaren. Zij blijkt heel andere herinneringen aan haar jeugd te hebben dan haar zusters, wat achterdocht wekt bij de lezer. De zussen verwijten elkaar de geschiedenis aan het herschrijven te zijn, en wie moeten we nu geloven? Heeft de geliefde vader zich misdragen? Doyle heeft mogelijk de onbetrouwbaarheid van jeugdherinneringen en -sentimenten willen benadrukken, hoewel het me ook niet zou verwonderen als daar de kiem ligt van een nieuwe roman.

Aan het bittere van de zeventien jaar met haar mooie, charmante man Charlo hoeven we niet te twijfelen. Hij mishandelde haar langdurig en hevig. En we moeten met Paula mee door de eerste verbijstering, de pijn, de vernedering, het moeizame opkrabbelen en de angst. De schaamte en de smoesjes tegenover de kinderen. En de eeuwige zelfverwijten. Het gemak waarmee dokters geloven dat allerlei verschillende verwondingen in de loop der jaren van dezelfde deur kunnen komen. De eenzaamheid, en de hoop die na elke verzoening tegen alles in weer opbloeit. Het bekende cliché, dat vrouwen blijven houden van de man die hen steeds weer in elkaar slaat, weet Doyle zo overtuigend te brengen of het hemzelf is overkomen. Wat prettig ontbreekt is de verongelijkte toon van een slachtoffer dat haar verhaal kwijt kan. Zo'n verhaal kan weliswaar volkomen gerechtvaardigd zijn, maar het is niet altijd even gunstig voor de literaire kwaliteit.

Paula is de dronken koningin van de Pledge en de stofdoek. Ze heeft een zelfstandige en afstandelijke dochter, een zoon aan de drugs en nog een kind van vier dat van niks mag weten. De sleutel van het schuurtje waar de wodka staat gooit ze 's morgens in het hoge gras, en ze mag hem pas gaan zoeken als het jongetje naar bed is, dus meestal ogenblikkelijk na het eten. Haar gedrag als alco werkt soms op de lachspieren, en het verhaal over haar schooltijd eveneens. Als ex-leraar weet Doyle waarover hij het heeft, maar het is verwonderlijk hoe hij zich kan verplaatsen in de dromen van verliefde jonge meisjes. Die worden subtieler beschreven dan de karikaturen van leraren: 'Degenen die geen smeerlappen waren, waren minkukels of saaie pieten of vrouwen. Dat was het enige voordeel van leraressen; ze bleven met hun poten van je af.'

De omgangsvormen op de school waar Paula op zit zijn grof en ruw, het kind past zich snel aan maar gaat zich net zo vuil voelen als de taal die gebezigd wordt. 'Je ruikt naar stront' is nog een vriendelijkheidje. 'Waar ik opgroeide - en waarschijnlijk overal elders - was je, als je een meisje was, een slet of een stijve trut, een van tweeën; en doorgaans al voor je dertiende. (-) Ik was op de een of andere manier een vuile stoep-slet, zonder te begrijpen hoe dat kwam of hoe ik daar iets aan kon doen; ik riep iets in mannen en jongens wakker.'

De door haar machoman mishandelde Paula Spencer kwam al voor in het stuk Family dat Doyle in 1994 schreef voor televisie. Dit, plus het op de achtergrond blijven van cruciale personages, wekt de hoop dat Doyle misschien nog niet klaar is met de families Spencer en O'Leary.

Wie heeft er nu zin helemaal op te gaan in de verschrikkingen van een zwaar mishandelde zuipschuit van een vrouw, wier meisjesdromen een voor een aan flarden gaan? Antwoord: de lezer die gegrepen wil worden door gracieuze kracht, de meest trefzekere toon van heel Ierland, en het onsentimentele mededogen van een schrijvende man die alles kan.

    • Margot Engelen