Schutters op straat

In het centrum van Amsterdam, vlakbij de Kalverstraat, hangen schilderijen op straat. En dan niet van die kleintjes, maar enorme lappen. Drie, vier meter breed en een paar meter hoog. Het zijn groepsportretten van zeventiende-eeuwse schutters: mannen met mooie kleren, grote witte kragen en kleurige sjerpen. Een enkeling draagt een harnas of een metalen borststuk. Ze leunen losjes op speren, musketten en vaandels. Zo te zien zijn ze heel tevreden met zichzelf. Ze kijken trots, een beetje hooghartig zelf, naar de toeristen die door het straatje slenteren.

Je zou zo'n groepsportret kunnen vergelijken met een klassefoto. De schutters hebben zichzelf door een schilder vast laten leggen: als herinnering voor later.

Schutters waren gewapende burgers die bij rellen of oorlog werden opgeroepen om de politie te helpen. Om lid van de schutterij te worden moest je wel rijk zijn, want iedereen moest z'n eigen kleding en wapens bekostigen. Daar stond tegenover dat je op feestdagen en bij optochten met je mooie pak kon pronken.

Het beroemdste schuttersstuk is De Nachtwacht van Rembrandt in het Rijksmuseum. Veel andere groepsportretten hangen in de schuttersgalerij tussen de Kalverstraat en het Spui. Ze hangen natuurlijk niet 'zomaar' op straat. Het is een bijzonder stukje straat waar geen auto's en fietsen mogen komen en dat beheerd wordt door het Amsterdams Historisch Museum. Omdat oude schilderijen kwetsbaar zijn, heeft het museum allerlei speciale maatregelen getroffen. De straat wordt aan begin en einde afgesloten door glazen deuren. Er is een dak van doorzichtige kunststof dat het licht dempt en de temperatuur en luchtvochtigheid worden op peil gehouden. Als je 's winters het straatje binnenloopt is het er lekker warm, terwijl het er in de zomer juist weer koel is.

Een jaar lang was de schuttersgalerij dicht. Het dak werd vervangen, de straatstenen vernieuwd, de muren geverfd. Vorige week mochten voetgangers eindelijk weer van het straatje gebruik maken.

Maar waarom moeten die kostbare schilderijen, zo nodig op straat hangen? Daar zijn een paar goede redenen voor. Schuttersstukken zijn zó groot dat je ze nauwelijks in een museumzaal kwijt kunt. Met één zo'n gevaarte is de zaal al bijna gevuld. Zo ontstond het idee om het straatje tussen twee gebouwen als galerij te gebruiken. Er is nog een reden. Iedereen moet kunnen zien welke pronkstukken het museum bezit. Oók de mensen die nooit in een museum komen omdat ze niet weten hoe interessant het er is. Oók de mensen met drempelvrees die niet zo goed durven. En als je aan zoveel mogelijk mensen je schilderijen wilt laten zien, wat kun je dan beter doen dan ze op straat hangen?

    • Erik Spaans