RIVM installeerde na Tsjernobyl 300 meetpunten; Meten fall-out in Nederland sterk verbeterd

BILTHOVEN, 26 APRIL. Millirem, Becquerel, interventiewaarden, jodiumtabletten. Nederland verrijkte zijn kennis en vocabulaire eind april 1986 met begrippen en woorden die ettelijke decennia het nagenoeg exclusieve domein van een handjevol nucleaire specialisten waren.

In Nederland had niemand rekening gehouden met mogelijk ernstige gevolgen van een kernramp op 2.000 kilometer afstand. Er lagen draaiboeken voor problemen in de onmiddellijke omgeving van de kerncentrales van Borssele en Dodewaard, met instructies voor de provinciale autoriteiten, en er was op beperkte schaal rekening gehouden met de gevolgen van een atoomoorlog. Een belangrijk regulerend orgaan daarbij, de Bescherming Bevolking (BB), was kort voor de Tsjernobyl-ramp ontmanteld. Voor een zeer beperkt aantal voedingsmiddelen was vooraf vastgesteld wat de kritische 'besmettingsgrens' zou zijn om consumptie te verbieden.

Een groepje ambtenaren voerde kort na de Tsjernobyl-ramp spoedoverleg in het Torentje met de toenmalige premier Lubbers, richtte daarna een crisiscentrum in, ontwierp een serie richtlijnen en bemande de telefoon om in de twee weken waarin de ramp zich voltrok ruim 50.000 verontruste Nederlanders te woord te staan.

Die maakten zich zorgen over jeukende voeten, reizen, buitenspelende kinderen en vroegen zich massaal af of de overheid niet aan alle bange burgers jodiumtabletten beschikbaar moest stellen. De meest ingrijpende maatregelen die het crisiscentrum uiteindelijk afkondigde waren een graasverbod voor koeien gedurende enkele dagen en het doordraaien van de spinazieoogst wegens verhoogde radioactiviteit, die na een onverwachte regenbui uit een even onvoorziene radioactieve wolk op Nederlandse bodem was neergeslagen.

Anno 1996 is er een reeks specialistische instellingen die kennis leveren aan een 'Nationaal beleidsteam' voor nucleaire rampen, dat maatregelen coördineert en initieert aan de hand van een uitgebreid draaiboek. Onder de specialistische instellingen figureert prominent het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven, dat de hoeveelheid radioactiviteit in de grond en in de lucht meet. Het RIVM paste zijn methodes na de Tsjernobyl-ramp radicaal aan. “De toenmalige meetmethoden waren volstrekt inadequaat voor een dermate groot ongeval”, zegt dr. H.P. Leenhouts, hoofd van het laboratorium voor stralingsonderzoek van het RIVM.

Grondmetingen deed het RIVM in 1986 nog met een spade en een serie potjes, waarbij Nederland minutieus van het zuiden tot het noorden werd bemonsterd. Luchtmetingen werden gedaan aan de hand van negen vaste meetpunten en een mobiele installatie op het terrein van het instituut zelf. De meetpunten zogen lucht aan die werd opgevangen in filtertjes. Ten tijde van de Tsjernobyl-ramp werden deze een paar keer per dag door de rijkspolitie naar Bilthoven gebracht voor onderzoek.

De resultaten werden doorgebeld aan het crisiscentrum in Leidschendam. De negen meetpunten die in 1986 gebruikt werden, stamden nog uit de jaren zestig, toen in Nederland behoefte bestond de mogelijke fall-out van kernproeven vast te stellen. Vanaf het begin van de jaren zestig werden kernproeven ondergronds gehouden. Daarna waren de meetpunten min of meer werkloos blijven staan.

Na 'Tsjernobyl' groeide de behoefte aan meer en nauwkeuriger meetpunten die automatisch hun resultaten zouden doorgeven. Verschillen in radioactieve straling kunnen lokaal sterk oplopen. Voor adequate maatregelen zou een fijnmaziger netwerk nodig zijn voor zowel lucht- als grondmetingen, dat snel de verschillen in kaart brengt. Het RIVM dacht met 100 van dergelijke automatische meetpunten toe te kunnen; het werden er uiteindelijk 300. In 1990 werd het netwerk deels in gebruik genomen, sinds januari is het volledig in bedrijf.

“Het net van het RIVM is samengevoegd met een net dat Binnenlandse Zaken in aanbouw had”, zegt dr.ir. J.F. van Sonderen van het laboratorium voor stralingsonderzoek, dat het meetnet beheert. “Binnenlandse Zaken had als reactie op een mogelijke nucleaire ramp een 'netwerk' van brandweerlieden die na een melding op de fiets sprongen en op een vastgesteld punt een meting zouden doen. Zij wilden daar van af en een automatisch netwerk, net als wij.”

De driehonderd gesloten kastjes (“radioactiviteit gaat toch door de wand heen”) van het netwerk, die onder meer in weilanden en bij bejaardenoorden (tegen vandalisme) staan, meten nu constant de achtergrondstraling. De geringste verandering is direct zichtbaar.

“In 1986 is het in ons land allemaal gelukkig reuze meegevallen”, zegt Leenhouts. “Nederland heeft maar een geringe hoeveelheid radioactiviteit over zich heengekregen, zo'n tien procent boven de gewoonlijke achtergrondstraling. Dat is nog minder dan de hoeveelheid die als gevolg van de kernproeven in de jaren zestig ons land bereikte.”

    • Z.C.A. Luyendijk