R. HESSING; Vaardig manager

De benoeming van de Rotterdamse korpschef Rob Hessing (53) tot ambassaderaad in Parijs is een strategische zet. Als vormgever van het Rotterdamse opjaagbeleid tegen drugstoeristen vertegenwoordigde 'monsieur Victor' in de Franse pers in de afgelopen tijd de repressieve kant van het Nederlandse drugsbeleid. Harde kritiek op Frans centralisme en bureaucratie, die de samenwerking met de Noordfranse steden bemoeilijkte, liet hij over aan zijn ondergeschikten Ottevanger en Bakker.

Toch is hij ook een 'drugsliberaal'. Hessing maakt deel uit van de 'initiatiefgroep drugsdiscussie', die de huidige drugsbestrijding een 'heilloze weg' vindt en hij pleit al jaren voor experimenten met hero√Įneverstrekking.

Wel wil hij ook een hardere, actievere aanpak van verslaafden en nam hij het voortouw in de kritiek op Perron Nul, de Rotterdamse gedoogzone voor drugsverslaafden.

Hessing is lid van het 'klasje van 1959' van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere politieambtenaren bij Hilversum.

Korpschefs als Nordholt van Amsterdam en Wiarda van Utrecht waren klasgenoten, terwijl korpschef Brand van Den Haag ze mocht ontgroenen. Het was een generatie die zich in de jaren zestig en zeventig tegen de gesloten, semi-militaire politiecultuur keerde en pleitte voor 'vermaatschappelijking' van de politie. Maar terwijl Wiarda en Nordholt in de jaren zeventig in conflict kwamen met de politietop toen ze hun denkbeelden in de nota 'Politie in verandering' vastlegden, hield Hessing zich op de achtergrond.

Hessing klom vanaf 1963 via de korpsen van Hilversum, Apeldoorn en Oss op tot korpschef van Eindhoven. In 1989 werd hij benoemd tot korpschef van de Rotterdamse gemeentepolitie.

Hij heeft zich in de zeven jaar in Rotterdam bezig gehouden met de reorganisatie van de politie, waarin veel van de denkbeelden van het 'klasje van 1959' hun weerslag vonden. Ondanks een conflict tussen Hessing en diens commissaris T. Reitsma, die de stem was van diegenen die vreesden dat te veel expertise zou weglekken bij de decentralisatie van centrale politiediensten naar de districten, verliep de reorganisatie in Rotterdam bijna rimpelloos.

Hessing ontpopte zich in Rotterdam eerder als vaardig manager dan als diep denker. Hij ging mee in het gezamenlijk waarschuwingsoffensief van de korpschefs begin jaren negentig met pleidooien voor meer cellen, meer blauw op straat en 24-uurs beschikbaarheid van rechters.

Het leverde de korpschefs weliswaar de Machiavelliprijs voor overheidscommunicatie op, maar ook kritiek dat ze zich eerder als politici dan als ambtenaren gedroegen. Hessing weet echter beter dan zijn Amsterdamse collega wanneer hij moet zwijgen.

Op die manier wist hij dit jaar ook buiten schot te blijven toen zijn korps werd getroffen door een ernstige corruptie-affaire.

Hessing beschikt voorts over een grote vaardigheid om conflicten binnenskamers te houden.

De laatste jaren in Rotterdam stonden in het teken van drugsoverlast en 'veiligheidsbeleid'.

Hessing begreep dat onveiligheidsgevoelens grotendeels een kwestie van imago zijn. Zo kwam hij in 1993 met een massale actie tegen drugspanden, waarbij de journalisten van tevoren hun camera's voor de deur mochten opstellen. En lanceerde hij onder de naam 'Victor' vorige zomer een breed offensief tegen drugstoerisme.

Hessing heeft het geluk gehad dat zijn korps niet betrokken is geraakt bij de IRT-affaire. Nu de politiek af wil van het 'old boys network' in de politietop, is Hessing ondermeer het directeurschap van de BVD en een hoge post bij Defensie aangeboden. Dat sloeg hij af, naar verluid omdat het salaris hem tegenstond. Buitenlandse Zaken kan wellicht beter voor Hessing zorgen.