Het water is verstomd; Delphi, de stenen kroon op het Griekse landschap

“Niet langer heeft Phoibos een huis, ook geen inspirerende laurier meer, noch een voorspellende bron,” luidde het laatste orakel van Delphi. Daarna raakte de stad in verval en werd bedolven onder aarde en steen. Voor de opgraving door Franse archeologen werd in 1892 een compleet dorp afgebroken. In het Landesmuseum in Karlsruhe is een tentoonstelling gewijd aan de opgravingen.

Delphi, orakel am Nabel der Welt. Badisches Landesmuseum, Karlsruhe. Dag. (behalve ma) van 10-17 uur, woe 10-20 uur, zo en feestdagen 12-17 uur. tot 2 juni

Er staan elke dag wel 50 toerbussen, of misschien nog wel meer, en over de stenen krioelt het van mensen waarvan sommigen zuchtend en zwetend naar de heuvel kijken en zeggen: “Ik ga niet helemaal naar boven hoor. Hier liggen ook oude stenen.” En dat is waar, overal liggen brokken marmer, overal puin of tot plattegronden ingekrompen resten van, ja, van wat? Van allerlei dat bij elkaar het heiligdom van Apollo uitmaakte, het veelgeroemde Delphi, de orakelplaats. Maar van een orakel is niets meer te bekennen, al zestien eeuwen niet meer. Nergens dampen geheimzinnige wolken uit de aarde waarboven de orakelpriesteres, de Pythia, gehangen zou kunnen hebben terwijl ze haar kreten uitstootte, er is geen onbetreedbaar heilig gedeelte in de stenen vloer van de Apollotempel, er zijn geen trappen die naar een ondergrondse bron leiden - niets dat tegemoet komt aan het verlangen naar iets mystieks, iets goddelijks. Alleen schroeiende hitte, en stenen.

Wel mooie stenen. Delen van de reusachtige stenen muur bij voorbeeld, die al in de zesde eeuw v. Chr. het heiligdom omsloot - een van die ongelooflijke muren uit de oudheid die nog het meest op de puzzel van een reus lijken. Zonder voegsel in elkaar gepaste, geslepen brokken steen; als er eens een gaatje overbleef werd daar een kleine steen netjes ingezet en dat voldeed blijkbaar, want ze staan er al eeuwen. Die muren hebben de tijd meegemaakt dat Apollo nog onder de mensen was. Ze stonden er in de tijd dat zijn feesten gevierd werden, op de zevende van de maand, ze zagen de pelgrims langskomen die van overal met wijgeschenken kwamen, ze hoorden de geiten mekkeren die ritueel geslacht werden. Wellicht leunde ooit een Pythia met haar rug tegen zo'n muur, in de avondzon, na een vermoeiende dag met veel orakelvragers. De muren stonden er toen de tempel verbrandde, toen hij verwoest werd door een lawine, toen de Romeinen er beelden uit wegsleepten, toen hij uiteindelijk verlaten werd en de Pythia als boodschap aan een afgezant van keizer Julianus (360-363 n.Chr.) het laatste orakel meegaf: 'Zeg de keizer: ineengestort is de mooigemaakte hal. Niet langer heeft Phoibos een huis, ook geen inspirerende laurier meer, noch een voorspellende bron. Haar water is verstomd.'

Daarna is Delphi vervallen, verdwenen zelfs. Bedolven onder aarde en steen van de steile kliffen, veronachtzaamd. Marmeren brokken, soms ook bases van standbeelden of stukken bewerkte fries werden gebruikt bij de bouw van nieuwe huizen. Er was nauwelijks nog iets van het heiligdom te zien, een restje antieke muur, de ruïne van het stadion, de oude Kassaliabron, dat was het. Er werd een dorp overheen gebouwd, Kastri genaamd en lange tijd wist zelfs nauwelijks iemand meer waar Delphi ooit had gelegen, totdat een zekere Jacob Spon in 1676 met Pausanias, een antieke reisgids uit de tweede eeuw na Christus, in de hand, naar Kastri reisde, op zoek naar wat er over was van Delphi. Spon schreef een reisverslag dat al in 1689 in het Nederlands vertaald werd: 'Het geene dat ick hier het vremste vonde is dat de plaetse welcke de vermaerste van de geheele werelt is geweest door den loop des tijdts ende der Fortuyne soodaenigh verandert is dat wij genoodzaakt waren Delphos binnen Delphos selfs te soecken ende te vraeghen waer stondt dan die Tempel? terwijlen wy op sijne Fundamenten stonden.'

Kastri

Toch duurde het daarna nog twee eeuwen voordat met de opgravingen van het antieke Delphi begonnen werd, door Franse archeologen. Over het verloop van die opgravingen is in het Landesmuseum in Karlsruhe een kleine tentoonstelling ingericht. In het museum is op foto's te zien hoe het dorp Kastri werd onteigend, afgebroken en verplaatst - een heel dorp! - om ruimte te maken voor de werkzaamheden, die in oktober 1892 begonnen en die blootlegden wat we vandaag de dag nog kunnen zien.

Het is verbazingwekkend, zo blijkt in Karlsruhe, dat het zo lang geduurd heeft dat Delphi met al zijn heiligdommen, zijn talloze beelden van marmer en brons, zijn versierde schathuizen en marmeren straten, met het bijna spreekwoordeljk geworden orakel, onder een slordig armelijk dorp begraven heeft gelegen zonder dat er zich iemand om bekommerde. Dat al die ontwikkelde jonge Engelsmannen die in het begin van de negentiende eeuw hun 'Grand Tour' door Griekenland maakten, van Delphi zo goed als niets gezien hebben. Byron in Delphi - wat stelde het voor? Er was een antieke bron die men in mythologische drift 'het bad van de Pythia' noemde. Verder was er alleen het prachtige landschap, de uitgestrekte olijfwouden die de indruk geven dat het licht in Delphi blauwgroen is, het uitzicht ver over het dal tot aan de zee, de recht oprijzende rotswanden met daarachter de hellingen van de Parnassus. En in de negentiende eeuw stonden er nog geen touringcars en was het dorp niet één grote groepslunch tegen woekerpijzen.

Het is altijd moeilijk iets te zien in een ruïne, zeker in zulke oude bijna totaal verbrokkelde ruïnes als die van Delphi. Door de naam zijn de verwachtingen hooggespannen, en ook de namen op de plattegrond, de 'schathuizen', de 'heilige weg', de 'Kastaliabron', de 'Muzenbron', de gedachte aan de bronzen wagenmenner, de standbeelden van de broers Kleobis en Biton, de gouden mengvaten van koning Kroisos, maken dat wie erheen gaat ongeduldig door de raampjes van de bus zit te turen in de verwachting zo meteen een wonder te zien. Sommigen zien dat ook, zoals de Poolse dichter en essayist Zbigniew Herbert, die in een prachtig stuk over de onmogelijkheid om Griekenland te beschrijven, schreef: 'Delphi is de stenen kroon op het Griekse landschap.' Anderen doen geëxalteerd alsof ze iets bijzonders zien en reppen over indrukwekkend mysterie en goddelijke majesteit. Weer anderen zien niets.

De Amerikaanse schrijver en literair criticus Edmund Wilson reisde in 1945 naar Delphi. De meereizende vrouwelijke Griekse tolk maakte met gemak de meeste indruk op hem ('een bekoring zó ingetogen, zó lief'), zodat het heiligdom zelf er bekaaid vanaf kwam: 'De Parnassus en de bron Kastalia (-) zijn stenige grauwe en troosteloze aangelegenheden waar, in weerwil van het beeld dat hun namen oproepen, niets poëtisch aan is; de grote tempel van de Delphische Apollo kun je vanaf de weg helemaal niet zien; en Delphi zelf, aan de weg geregen als stukken schapevlees aan een shaslikspies, heeft als centrum een groep in Britse kwartieren veranderde hotelletjes, die stampvol verlofgangers zaten.'

Zo te lezen vond Wilson het niet de moeite zijn auto uit te komen en over de heilige weg naar boven te wandelen naar de tempel. Misschien wist hij ook eigenlijk helemaal niets van Delphi. Of droeg die Griekse tolk hakjes waarmee ze beslist niet de heuvel op kon klauteren. Dan pakte Henry Miller, die er dronken werd en bijna in een ravijn viel, het monterder aan. Hij schreef: 'Het werd nu tijd (-) om de laatste klanken te ontlokken aan de uitgebluste wereldnavel.'

Natuurlijk zei de wereldnavel niets. Nu de goden niet meer onder ons zijn is het ook niet meer zo vanzelfsprekend dat juist Delphi het middelpunt van de wereld zou zijn. Destijds toen Zeus van beide uiteinden van de aarde een adelaar losliet, die elkaar precies in het midden ontmoetten, en toen dat midden Delphi bleek te zijn, vocht niemand dat aan. Maar de 'omfalos', de navel, de steen die symboliseerde dat Delphi het centrum van de wereld was, is allang verloren gegaan. Er staat nu wel een replica.

Kolonisatie

Ooit sprak de wereldnavel zich geregeld uit, over politieke kwesties, over de kansen in oorlogen, over de juiste plek om zich te vestigen (het orakel stond zeer gunstig tegenover kolonisatie en gaf vele adviezen) of om een tempel te bouwen. Maar ook individuen konden met hun vragen in Delphi terecht, om te weten te komen of ze op reis moesten gaan, kinderen zouden krijgen, gezond zouden worden of blijven, voorspoed zouden ondervinden bij een bepaalde zaak.

Iedereen die het orakel kwam raadplegen gaf een geschenk, van kleine beeldjes en kannetjes tot, in het geval van koning Kroisos, gouden tegels, een gouden leeuw, een gouden en zilveren mengvat en nog veel meer. In een Homerische hymne aan Apollo (begin zevende eeuw) voorspelt Apollo bij het stichten van de tempel (want de god legde eigenhandig de fundamenten) dat de mensen 'zonder ophouden talloze volmaakte offerdieren hiernaartoe zullen drijven', waaruit men heeft afgeleid dat het heiligdom al in die tijd volop functioneerde. Apollo zegt in diezelfde hymne ook tegen zijn eerste priesters dat ze nooit honger zullen hoeven leiden - 'iedereen van je groep moet een mes ter hand nemen en dag in dag uit geiten en schapen slachten.' Delphi was dankzij het orakel een welvarende stad.

Orakelspreuken heten per traditie raadselachtig te zijn, maar als niemand ooit een begrijpelijk antwoord op zijn vragen had gekregen, had het Delphische orakel het waarschijnlijk niet tot zo grote roem gebracht. Onderzoekers veronderstellen dat het overgrote deel van de overgeleverde orakelspreuken fantasie is, en dat de historische antwoorden vaak neerkwamen op een simpel 'ja' of 'nee'. Liever zouden we Herodotus geloven die beschrijft hoe de Lydische koning Kroisos het orakel raadpleegt om te weten te komen of hij ten strijde moest trekken tegen de Perzische koning Kyros. Voor hij deze uiterst belangrijke vraag stelt, besluit hij, aldus Herodotus, eerst alle orakels in Griekenland en Libya op de proef te stellen. Hij stuurt naar allemaal een gezant en op de honderdste dag na vertrek stellen al die gezanten aan alle orakels dezelfde vraag: 'Wat doet koning Kroisos vandaag?' Hij doet natuurlijk met opzet iets heel raars (bijvoorbeeld schapen en eenden tegelijk koken) en slechts twee orakels geven een bevredigend antwoord. Een daarvan is het Delphische. Aan deze twee orakels legt hij zijn vraag betreffende het wel of niet beginnen van een oorlog voor, en beide orakels antwoorden in dezelfde trant: dat hij, als hij tegen de Perzen te velde zal trekken, een groot rijk zal vernietigen. Kroisos was 'in de wolken' over deze uitspraak, trok ten strijde en vernietigde zijn eigen rijk.

De adyton

Misschien het meest geheimzinnig van alles, nog geheimzinniger dan de dubbelzinnige en slimme formuleringen, is de manier waarop de orakels gegeven werden. Wat gebeurde er in het onbetreedbare heiligste gedeelte van de tempel? In zijn roman De priesteres van Delphi laat Per Lagerkvist een oude priesteres aan het woord die vertelt hoe het haar verging toen ze voor het eerst moest profeteren: Zij moest door de tempel heen afdalen in het heilige gedeelte, het adyton, nog dieper kwam ze terecht in een soort hol waar uit een spleet in de grond bedwelmende dampen kwamen. Ze kreeg laurierbladeren te kauwen en moest op een driepoot boven de kloof gaan zitten. Daar nam Apollo bezit van haar, wat haar eerst een uitzinnige vreugde schonk, maar al snel werd het gevoel tè uitzinnig, haar lichaam kronkelde zich in bochten, er stond schuim op haar mond waar vreemde klanken uitkwamen - al wie haar ooit zo gezien had was bang voor haar. Zelf vond ze het ook vreselijk: 'Ik deed het helemaal niet, ik was helemaal mezelf niet meer, ik was een deel van hem, alleen van hem, en het was ontzettend, alleen maar ontzettend!'

Lagerkvists beschrijving spreekt wel tot de verbeelding, maar historisch correct is hij niet. Niet dat men echt weet hoe de Pythia tot haar uitspraken kwam, over wat er zich in het heiligste gedeelte van de tempel afspeelde, zwijgt de overlevering schroomvallig. Dampen uit de aarde zijn in ieder geval onzin, er is in Delphi nergens een aardspleet gevonden, en geologen hebben vastgesteld dat de bodem onder de tempel zodanig is dat dergelijke dampen er niet doorheen kunnen dringen. Hoe de Pythia dan wel in trance raakte weet men niet, wellicht door het kauwen van laurierbladeren, door het drinken uit een bron waarvan het water onder de tempel doorgeleid werd, wellicht ook was het religieuze zelfsuggestie. Waarschijnlijk waren er wel klanken en kreten waar de priesters iets van moesten maken. In Vestdijks roman De verminkte Apollo vertelt een Delphi-priester: 'Daarbij was veel onverstaanbaar. Maar voor de ontraadseling daarvan golden vaste regels, geheim, maar waarvan zelden werd afgeweken.'

De blootlegging van de tempelruïne heeft geen nadere geheimen prijsgegeven. Men heeft uit de bijna kaal geworden steen niets bijzonders op kunnen maken, hoe graag de archeologen dat ook gewild hadden. Van het mechanisme van het orakel weten we bijna niets. 'De laatste Pythia heeft haar geheim meegenomen,' schreef een historicus.

Maar wat de aarde wel heeft prijsgegeven is een onschatbare hoeveelheid grafgaven, inscripties, versieringen, beelden. Op de Duitse expositie is een ongelooflijke, bijna surrealistische foto te zien waarop een kouros (een van de twee Kleobis en Biton-beelden) als het ware uit de aarde oprijst, zijn gladde, gave, archaïsche lichaam tegen de rots geleund, de glimlach al die eeuwen op zijn gezicht bewaard.

Waarom is zo'n foto zo aangrijpend? Misschien omdat het lijkt alsof er daar wel degelijk iets aan het licht komt dat al verloren leek, een inkijk in een andere wereld, de wederopstanding daarvan zelfs. 'De wereld die met Delphi voorbij ging, verdween als in een slaap,' schreef Henry Miller. En alles wat ervan bewaard bleef, lijkt wel uit een droom te komen, op wonderbaarlijke wijze gematerialiseerd. Maar de beelden en de stenen zijn echt. Misschien is dat nog het raadselachtigste van alles.