Heilige winkels van sinkel; Het Afrika Museum viert veertigjarig bestaan

Het Afrika Museum in Berg en Dal werd opgezet door leden van de katholieke missie. Het museum bestaat nu veertig jaar en heeft een kleine, maar indrukwekkende collectie opgebouwd. “Elk stuk lijkt te fluisteren dat hoezeer de westerling ook zijn best doet om iets kunstig-primitiefs te maken, de Afrikaan het zonder vooringenomenheid en signatuurdrift veel verder schopt in vorm en zeggingskracht.”

Geest-en-Kracht, Vodun uit West-Afrika, en depotopstelling. Afrika Museum, Postweg 6, Berg en Dal. T/m 31 dec. Geopend t/m 31 okt: ma t/m vr 10-17u, za en zo 11-17u. Van 1 nov t/m 31 mrt: di t/m vr 10-17u, za en zo 13-17u. Catalogus ƒ 39,50.

Zelden draagt een museum behalve voor zijn collectie en zijn medewerkers, ook nog zorg voor een familie flamingo's en een horde geiten. Het Afrika Museum in Berg en Dal maakt daar geen punt van. De beesten scharrelen hier rond tussen de paalwoningen en woonerven uit Ghana, Benin en Mali. En afgaande op de lap grond die het museum onlangs heeft verworven, laat het faunabestand zich met gemak uitbreiden tot een genoeglijk reservaat.

Dit jaar bestaat het Afrika Museum veertig jaar. De collectie werd grotendeels vergaard door leden van de Congregatie van de Heilige Geest, die al vanaf de achttiende eeuw 'in die vreemde wereld van afgoden en tovenarij' hun eigen geloof predikten. Aanvankelijk wilden de Nederlandse leden met hun etnografica-zendingen de thuisblijvers een indruk geven van hun exotische missiegebieden. De publieke belangstelling deed in 1956 het idee postvatten om in dezelfde lommerrijke omgeving een museum neer te zetten. Inmiddels is dat onderkomen al een paar keer uitgebreid en leidinggevende paters hebben plaatsgemaakt voor leken.

Het Afrika Museum, volledig gesubsidieerd door rijk en gemeente, viert zijn jubileum met twee tentoonstellingen. Eén tentoonstelling omvat een depot-opstelling van potten en amuletten, trommels en tronen, plus alle maskers en voorouderbeelden die daartussen horen. De kwantiteit dwingt de toeschouwer om goed te kijken en te schiften. Tussen de functioneel en esthetisch zeer uiteenlopende stukken ontdekt hij dan ineens een paar aardedonkere fetisj-beelden die in al hun eenvoud door intens gebruik en ouderdom een mooi, organisch karakter hebben gekregen. Nog steeds gaat er een dreiging uit van die bolle spiegelbuik; het geheim daarachter kan ook hier van alles en nog wat aanrichten.

De tweede expositie belicht het verschijnsel Vodun, het Westafrikaanse geloof in een magisch krachtenveld dat het bestaan op aarde bestiert. Goden, godinnen, voorouders en geesten die in de niet-waarneembare wereld aan de touwtjes trekken, kunnen via sculpturen en objecten ten goede, maar ook ten kwade worden aangewend. Voodoo, een fenomeen uit Haiti dat meer bekendheid geniet, wortelt in diezelfde Vodun-religie.

In Nigeria, Togo en Benin houdt men zich nog steeds bezig met het maken, decoreren en voeden van altaren, houten beeltenissen en curieuze ensembles. Ondanks hun rommelmarkt-achtig uiterlijk kunnen ze zwangerschappen bevorderen, driften beteugelen en ziekte en dood afwenden. Maar, net als mensen, halen die Voduns soms rotstreken uit. Om hen te paaien 'vraagt' de ene Vodun via de priester om parfum of planten, de ander om pap of ijzeren sloten. Hangend om de nek van zo'n trots beeld lijken die sloten meer 'designed' dan ze zijn.

Directrice Ineke Eisenburger, dertig jaar werkzaam in dit museum, wil met Vodun herinneren aan de doelstelling van het museum: 'het wekken van belangstelling voor de cultuur van Afrika ten zuiden van de Sahara en in het bijzonder voor de religieuze aspecten daarvan'. Jaarlijks trekken de presentaties zo'n honderdduizend bezoekers.

Aankoopbudget

Vergeleken met volkenkundige musea in Amsterdam, Rotterdam en Leiden, bezit het Afrika Museum met zijn twintig medewerkers een bescheiden collectie van zo'n 8.000 stukken. Een forse toename zit er met een aankoopbudget van 25.000 gulden niet in. De prijzen voor etnografica zijn de laatste jaren aanzienlijk gestegen. Voor een museaal beeld van de Baulé-stam vroeg men niet lang geleden al circa 30.000 gulden, in Delft althans, terwijl centra als Brussel, Parijs en New York het veel bonter maken.

Voor geldelijke steun kunnen de volkenkundige musea niet aankloppen bij de Mondriaan Stichting in Amsterdam, die subsidieert uitsluitend musea voor moderne kunst. Schenkingen doen zich zelden voor; de recente schenking van het Schiedamse echtpaar Sanders aan het Museum voor Volkenkunde in Rotterdam is een uitzondering. Het is om wettelijke en ethische redenen ook niet langer toelaatbaar dat conservatoren dan maar zelf beelden in Afrika gaan 'scoren'. Buitenlandse musea die minder gewetensvol aankopen, worden zelfs als bruikleengever door het Afrika Museum gemeden. Alleen de betrouwbare etnografica-handelaar, eigenaar van onverdachte stukken die legaal zijn verkregen of al langer in Europese collecties voorkomen, mag in de arm worden genomen.

“We moeten oppassen dat de Afrika-afdelingen van volkenkundige musea er hier niet net zo schamel bij komen te staan als de presentaties van westerse kunst in Afrika”, zegt Eisenburger. “De overheid hamert weliswaar op spreiding en meer samenwerking, bijvoorbeeld in onderling bruikleenverkeer, wat die vier musea ook nastreven, maar kiem- en slagkracht haalt elk museum toch uit zijn eigen wortels, uit zijn eigen bezit. Daarmee zet het zichzelf nu eenmaal op de kaart”, aldus Eisenburger, die als voorzitter van het Overleg Volkundige Musea net in Den Haag weer eens gepleit heeft voor een rijksbijdrage ten behoeve van deze specifieke collectievormingen.

Wie de Vodun-tentoonstelling goed bekijkt, begrijpt waarom het Louvre in Parijs onlangs besloten heeft ook deze niet-westerse stukken in zijn zalen op te nemen. De presentatie bestaat uit een esthetische opstelling en een sociologisch getint deel. In de laatstgenoemde zaal schemeren in een oerwoud-ambiance lemen en zorgvuldig beschilderde huisjes. Ze herbergen composities van kleine, archaïsche sculpturen, die bijvoorbeeld naar de machtige vruchtbaarheids-zeemeermin 'Mami Wata' verwijzen, maar ook altaren met een schilderachtige winkel van sinkel; rode rozen, glazen potjes, een beeld van de Heilige Theresia, een televisie-toestel, textiel, dierenschedels.

Op de museumvloer van rode aarde liggen in groepjes nog aardewerken potten uitgestald en kinderlijk gekleide mensfiguren, die zich alleen door drie openingen als zodanig laten herkennen. De potdeksels met hun reliëfs van slangen, kameleons of bulten beschermen tegen pokken en ander kwaad.

Steeds weer ontgaat de westerling elke wetmatigheid in de rangschikking, maar hij zal het wel nalaten om op een familie-erf of een kruispunt ergens aan de voormalige Slavenkust ook maar een vinger uit te steken naar zo'n afgebakend allegaartje van soms ontroerend vormgegeven figuren. Elk stuk lijkt te fluisteren dat hoezeer de westerling ook zijn best doet om iets kunstig-primitiefs te maken, de Afrikaan het zonder die vooringenomenheid en signatuurdrift veel verder schopt in vorm en zeggingskracht.

Metaalafval

Behalve de 'heilige' installaties, lukt het ook de autonome, houten beelden en objecten, die van touwtjes, schelpjes en metaalafval aan elkaar kunnen hangen, ontzag af te dwingen. De onverzettelijkheid van hun stompige houten lijven is soms al voldoende. Maar bij de Bochio-sculpturen - de negen genres van de Fon-stam in Benin houden verband met wraak, tweeslachtigheid, ziekten, dood of gevangenschap - komen daar nog inventief toegepaste materialen bij als textiel, skeletonderdelen en pinnen. En zo verandert dan een paalvormig wezen in iets vorstelijks dat van alle tijden is.

In de tweede, meer museale Vodun-zaal wandelt men nog langs een parcours van gigantische barokke tronen en hoofdmaskers. Ze behoren tot de grote Yoruba-collectie van het museum. Ook de gehavende Dogon-sculpturen, broos als een herfstig boomblad, en het smeedwerk van vogeltjes (heksen) samen met talloze amuletten, die een Fon-vakman bovenaan een staf samenbracht, behoren tot het domein van het schimmige, altijd hongerige Vodun-pantheon.

Veel Vodun-stukken op deze tentoonstelling heeft de priester Jan Cocle in bruikleen gegeven. Hij reisde dertig jaar lang door Afrika, aldus de goed verzorgde catalogus, en mag zich nu met recht expert noemen. Misschien zien we diens collectie als aanwinst terug op het volgende jubileum. Dan moet ook de nieuwe aanbouw van het Afrika Museum zijn voltooid. En de nu nog lege, groene glooiingen zullen dan geen reservaat te zien geven, maar een zomerse werkplaats voor Afrikaanse beeldhouwers en een podium voor de Afrikaanse uitvoerende kunsten.

Van de eigentijdse, stenen Tengenenge-beelden zal de toeschouwer in de tuin straks minder te zien krijgen. Zimbabwe wil nu al enkele dierensculpturen van inmiddels overleden kunstenaars terugkopen. Het museum stemt daarmee in: “We hoeven niet overal bovenop te blijven zitten”, zegt Ineke Eisenburger. “Nu kunnen wij op onze beurt eens een bijdrage leveren aan het historisch-cultureel besef van Zimbabwe.”

    • Marianne Vermeijden