Geen zorgen bij DNB om stijging van lonen; Duisenberg: lasten niet verder verlichten

AMSTERDAM, 26 APRIL. De ontwikkeling van de staatsschuld maakt een verdere lastenverlichting onmogelijk. Dit heeft president W. Duisenberg van De Nederlandsche Bank gisteren gezegd tijdens de presentatie van het jaarverslag van de centrale bank. “Lastenverlichting is niet aan de orde, tenzij daar verdere bezuinigingen tegenover staan”, zei Duisenberg.

Op dit moment voert het kabinet besprekingen over de begroting voor 1997. Binnen de coalitie bestaat al geruime tijd verdeeldheid over de ruimte die bestaat voor verdere verlichting van de lasten voor burgers en bedrijven. PvdA-minister Melkert (Sociale Zaken), gesteund door de PvdA-fractie in de Tweede Kamer ziet daar mogelijkheden voor. VVD en D'66 zien die, zonder verdere bezuinigingen, niet.

Duisenberg noemde gisteren 1997 “het jaar van de waarheid”. In dat jaar zal Nederland zich moeten kwalificeren voor de Economische en Monetaire Unie, die in 1999 van start moet gaan. De sanering van de overheidsfinanciën is volgens Duisenberg “een eind op streek”, met een beoogd begrotingstekort van tussen 2 procent en 2,5 procent volgend jaar en voldoet daarmee ruim aan de EMU-norm. De staatsschuld, nu 79,4 procent, zal nog wel “substantieel” moeten dalen richting 60 procent van het bruto binnenlands produkt. Duisenberg zei zich zorgen te maken over de staatsschuld, en noemt een daling van 2 procent per jaar “substantieel”. De bankpresident pleit voor een structureel begrotingstekort van 1 procent van het bbp.

Duisenberg toonde zich gisteren gematigd optimistisch over de Nederlandse economie, en wees met name de loonmatiging in de voorbije jaren aan als oorzaak dat de Nederlandse economie zich, in vergelijking met Duitsland, goed staande houdt. Wel signaleert Duisenberg “enige versnelling” in de stijging van de contractlonen die vorig jaar 1,4 procent bedroeg. Voor dit jaar verwacht hij een stijging van 1,6 procent, op basis van de CAO-onderhandelingen waarvan nu ongeveer de helft is beklonken. “Maar dat is niet onrustbarend.” Philips stelde het personeel overigens eergisteren een loonsverhoging voor van zes procent over twee jaar.

De loonmatiging heeft volgens Duisenberg tot gevolg gehad dat de Nederlandse exportpositie sinds 1987 nauwelijks heeft geleden onder de sterke opwaardering van de gulden. Duitsland is in die periode, door het gebrek aan loonmatiging, gemiddeld 13 procent duurder geworden ten opzichte van zijn handelspartners. Op de vraag of het opgetreden kostenverschil tussen Nederland en Duitsland zou moeten leiden tot een sterke opwaardering van de gulden tegenover de Duitse mark, zei Duisenberg alleen dat De Nederlandsche Bank het zich nu kan permitteren de gulden een lagere rente te geven dan in Duitsland. De opwaartse druk op de gulden nam de laatste maand sterk toe. De voorschotrente van De Nederlandsche Bank is, met twee procent, nu een half procentpunt lager dan het vergelijkbare Duitse disconto. De gulden en de mark zijn de enige twee munten in het Europese Monetaire Stelsel waarvan de onderlinge wisselkoers binnen een nauwe marge van 2,25 procent mag afwijken. Een hoge functionaris van de bank zei naderhand dat bij een stelsel van zwevende wisselkoersen de gulden allang fors zou zijn gestegen tegenover de mark.