Familieruzie

De Revisor 1996-1, Uitg. Querido, 80 blz. ƒ 20,90.

Hollands Maandblad 1996-4, Uitg. Veen, 40 blz. ƒ 9,25.

Optima 50, Uitg. Contact, 126 blz. ƒ 12,50.

De reacties op het provocerende artikel in HP/De Tijd (26-1-96) van Jaap Goedegebuure over de literaire tijdschriften komen los. Anthony Mertens in De Revisor, Michaël Zeeman in Optima, Bastiaan Bommeljé in Hollands Maandblad - allen gaan in de verdediging tegen het stuk van Goedegebuure, dat zo fraai samenvalt met de aankondiging van belangrijke bezuinigingsplannen bij het Literair Produktiefonds. Goedegebuure schreef zijn artikel al twee jaar geleden, voor een door het Produktiefonds georganiseerde dag over 'De functie en de toekomst van literaire tijdschriften'. Hij paste het op een paar puntjes aan en HP/De Tijd kwam ermee voor de dag alsof het nieuws was. En nu pas, met het zwaard van Damokles van het Produktiefonds boven het hoofd, voelen de divere tijdschriftredacties zich genoodzaakt erop te reageren.

Als eerste De Revisor. Interessant daarbij is dat Mertens, vele jaren lang criticus bij De Groene, als het ware spreekt met twee petten op: die van krantenman en die van tijdschriftredacteur. Volgens Goedegebuure, die zijn oud-redacteurschap van Tirade in de HP-versie heeft weggemoffeld, hebben de dag- en weekbladen met hun recensiepagina's en hun in columns woedende polemieken alle functies van het literaire tijdschrift overgenomen. Af en toe een verhalenspecial, en daarnaast de Playboy met proza van bekende schrijvers, en voilà, het tijdschrift is van al zijn taken beroofd.

Mertens heeft weinig moeite Goedegebuure's stellingen, die uitsluitend gebaseerd zijn op de verkoopbaarheid van literatuur, te ondergraven. Rustig en systematisch gaat hij te werk, waarna de provocatie van Goedegebuure het onvermijdelijke lot van de zeepbel wacht.

De tijdschriften waren vroeger veel belangrijker, stelt Goedegebuure. Vroeger waren de tijdschriften niet minder marginaal en minder gelezen dan nu, repliceert Mertens, en Goedegebuure ziet in zijn haast ze dood te verklaren een paar taken van de tijdschriften over het hoofd, taken die de Playboy of de dagblden toch echt niet hebben overgenomen. Mertens plaatst het stuk van Goedegebuure in de traditie van de HP: 'Deze nerveuze visie ziet de kwaliteit van de literatuur dalen in de week waar ze nog geen generaties of stromingen heeft kunnen signaleren. Dan heeft literatuur geen smoel. Het virus van deze visie tast de literaire wereld aan met als gevolg dat menigeen jachtig op zoek is naar nieuwe namen, nieuw talent, in de angst iets te missen wat in de toekomst van belang zou kunnen zijn. Die nervositeit kan alleen diegenen werkelijk in de greep krijgen die de actualiteit als norm nemen voor de literatuur.'

Bastiaan Bommeljé gooide twee jaar geleden naar aanleiding van de Dag van het Literaire Tijdschrift al een knuppel in het hoenderhok met een amusante beschouwing in NRC Handelsblad over de literaire tijdschriften als 'culturele fossielen in een zompig moeras'. Ook hij signaleerde een 'letterkundige inflatie' die voortgekomen is uit zo'n nerveuze literaire visie. 'Het gedrukte woord is een gedemocratiseerd massaprodukt geworden dat minder kost en sneller slijt dan ooit. De neergang van de literaire bladen en het succes van de boekenbijlages van dag- en weekbladen is daarbij onvermijdelijk. Zelfs de meest veeleisende literaire lezer kan niet meer buiten de laagdrempeligheid en de vluchtige consumeerbaarheid die de journalistiek eigen zijn.'

Noemde Bommeljé subsidie toen nog een twijfelachtige zegen voor het culturele leven, nu, in Hollands Maandblad, is subsidie 'de cocaïne van het Nederlandse geestesleven'. Met alle nare bijverschijnselen van dien - 'subsidie kweekt geen beschaving, zij verwekt geen cultuur, zij schrijft geen boeken, zij maakt geen literaire bladen. Subsidie baart macht en onderdanigheid, creëert zelf-importantie en slaafsheid, schept ongelijkheid en bedelarij als artistieke houding.' Van de zegen van subsidie is nog maar een fractie over. Bommeljé betreurt zijn afhankelijkheid van de drug, helemaal nu zijn dealer, het Produktiefonds, de subsidie aan de bladen sterk wil verminderen en méér wil uitgeven aan zoiets modieus als 'beeldvorming' en 'verkoopbevorderende maatregelen'. Het liefst zou hij helemaal afkicken, en zodoende verschoond blijven van de luie en domme bemoeizucht van de 'culturele Quislings'. Stevige taal, uit een tijdschrift dat nog altijd probeert een 'vent' te zijn, meer dan een heer.

Michaël Zeeman, chef Kunst van De Volkskrant en redacteur van Optima, reageert op de plannen van het Produktiefonds en het Playboy-denken van Goedegebuure in een redactioneel stuk bij het vijftigste nummer van Optima. Dat lijkt overigens in niets meer op het originele, puur uit liefhebberij gemaakte 'cahier voor literatuur en boekwezen' opgericht in 1983, met Joost Nijsen (nu uitgeverij Balans), Bas Heijne (nu NRC Handelsblad en Ad Fransen (nu HP/De Tijd). Zeeman verdedigt zich tegen de aantijging dat alle tijdschriften op elkaar lijken en tegen de druk van het Produktiefonds om maar te fuseren met andere bladen. 'Voor wie niet beter weet is het één grote familie, met willekeurige en inwisselbare literaire overtuigingen, even ontzuild en vrijgevochten als hun omgeving', zegt Zeeman, die er vervolgens niet goed in slaagt uit te leggen waarin het eigene van Optima nu schuilt. Hij spreekt van 'een tijdschrift dat met open blik om zich heen kijkt naar nieuw talent, bestaand talent, en daaruit telkens het optimale kiest en doet afdrukken'. Eclecticisme heeft de plaats ingenomen van programmatisch denken, en de redactie van Optima is daar blij om. Gek genoeg is het van de zes best gesubsidieerde tijdschriften juist Optima dat het meest een eigen gezicht ontbeert. Het is een uitstekend blad, goed maar een beetje saai goed, je kunt je er als lezer nooit een buil aan vallen. En dat gaat toch vervelen.