Dood

De dood, daar heeft niemand verstand van. Als die al zin heeft, blijft het gissen naar hoe en wat. Is de dood nu het einde of juist een nieuw begin? Als keizers en bedelaars, machthebbers en kunstenaars iets gemeen hebben, dan is het dat zij zich die vraag stellen. Velen kunnen met die onzekerheid niet leven en vervangen de vraag door een antwoord - dat ze vervolgens met fanatisme verdedigen. De ongewisheid van de onvermijdelijke dood is een dankbare bron van speculatie.

En van veel kunst, misschien wel van alle kunst. Als de dood al geen thema is, dan toch minstens oorzaak. De kunstenaar laat iets na, hij heeft niet voor niets geleefd, hij is niet voor niets gestorven.

Het laatste is een kwestie van nalatenschap. Het eerste - de dood als thema in de kunst - is ingewikkelder. Twee jaar geleden ontstond tumult over de dansvoorstelling Still/Here van de Amerikaanse choreograaf Bill T. Jones. Alleen al de titel van de voorstelling, die vorig jaar ook hier te zien was, verwees naar vergankelijkheid en dus naar de dood. Behalve pure dans bevatte Still/Here getuigenissen op videotape van mensen die aan een dodelijke ziekte leden. De achtergrond, zo was al snel duidelijk, was de dood, in 1988, van Jones' geliefde en artistieke partner Arnie Zane en zijn eigen seropositiieve status. De gerenommeerde danscritica van The New Yorker, Arlene Croce, schreef er niettemin een lijvig artikel over. Zij introduceerde de term 'victim-art' en onderging het vooruitzicht te moeten oordelen over mensen met wie zij medelijden had, als chantage. Haar stuk was weloverwogen cri de coeur; er was veel op af te dingen, maar het bevatte ook een kern van waarheid.

Men kan een kunstenaar niet verwijten werk te maken over datgene wat hem bezig houdt. Het is zelfs potsierlijk: deden kunstenaars dat niet, er zou geen kunst meer gemaakt worden. Anderzijds legde Croce, zij het bij een mijns inziens verkeerde gelegenheid, de vinger op wat wel degelijk een tendens is geworden. Zeker in Amerika. Daar zag ik zeker vier dans- en theatervoorstellingen, waarvan de makers voor aanvang op het toneel verschenen om out of the blue te melden dat zij 'gay and HIV-positive' waren. Niemand vond het gek.

De dood, zo alomtegenwoordig door aids, is een cultus geworden, een geuzenkwaliteit. Ik realiseerde me dat opnieuw door de interviews met theatermaker Jan Ritsema, die in het Springdance festival een danssolo heeft uitgebracht. Hij lijdt aan een hartkwaal en is gedotterd. Dat werd de kern van zijn mededelingen. Zijns ondanks, want dat ligt evenzeer aan ons, de lezers van die kranteninterviews. Nog voor iemand er een seconde van gezien had, werd zijn vermetele solo (hij is 51 en danst voor het eerst) vanzelf een ultieme prestatie. Helemaal los van de vraag of dat waar is, kijkt Ritsema de dood in de ogen - en dat wordt zijn kwaliteit, zijn verdienste. Maar dat is de dood helemaal niet, al heb ook ik er geen verstand van.