CS Essay Prijsvraag; Citeert u wel eens een gedicht?

Het gaat goed met de poëzie in Nederland. Poëziefestivals worden druk bezocht, literaire tijdschriften drukken maandelijks tientallen gedichten af en bloemlezingen halen hoge oplagen, vooral sinds de boekenweek twee jaar geleden in het teken van de poëzie stond.

Maar hoe worden gedichten tegenwoordig gelezen en gebruikt? Hebben ze nu een andere betekenis dan vroeger, toen dichters geciteerd werden in alledaagse gesprekken? Is de dichtkunst een intellectueel statussymbool geworden? Of zijn lezers nog oprecht bereid om een gedicht te ondergaan? Laten ze zich raken door een even perfecte als diep doorvoelde formulering? Of lenen gedichten zich daar niet meer toe? Wie is er veranderd, de dichter of de lezer?

Het Cultureel Supplement roept de lezers op een essay te schijven over de rol die de poëzie nu vervult. Welke functie hebben gedichten? Welke poëzie is belangrijk, welke mooi?

Om uw gedachten te helpen bepalen drukken we twee gedichten af die in stijl en inhoud sterk verschillen maar beide waardevol zijn: 'Zo het iets teweeg brengt' van Hans Faverey en 'Sterfbed' van Jean Pierre Rawie.

Stuur uw essay (maximaal 2000 woorden) voor 27 mei naar de redactie van het Cultureel Supplement, Paleisstraat 1, 1012 RB, Amsterdam en vermeld op de envelop: Essayprijsvraag. Een commissie, bestaande uit Gerrit Komrij, Joyce Roodnat en Reinjan Mulder zal zich over de inzendingen buigen en in juni de winnaar bekend maken. De beste inzending wordt beloond met duizend gulden en een passe-partout voor Poetry International.

-------------------------

Zo het iets teweeg brengt

en zich heeft vergeten

is het tevergeefs

en in godsnaam.

De volstrekte leegte

in elk ding, die werkelijk

is, en als zodanig werkzaam is

en zich vermengt met de echo

van het laatste woord:

dat niet meer over de lippen

wil; die lippen eerst nog lief-

koost, en daarna zonder schroom

aantast: dit hopeloos ontbreken

dat overal knopen legt in water

en een naald is in brood.

HANS FAVEREY

Sterfbed

Mijn vader sterft; als ik zijn hand vasthoud

voel ik de botten door zijn huid heen steken.

Ik zoek naar woorden, maar hij kan niet spreken

en is bij elke ademtocht benauwd.

Dus schud ik kussens en verschik de deken

waar hij met krachteloze hand in klauwt;

ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud

en blijf als kind voor eeuwig in gebreke.

Wij volgen éen voor éen hetzelfde pad

en worden met dezelfde maat gemeten;

ik zie mijzelf nu bij zijn bed gezeten

zoals hij bij zijn eigen vader zat:

straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten

hoe machteloos ik hem heb liefgehad.

    • Jean Pierre Rawie