Van der Waals

Goed wetenschappelijk onderzoek heeft mobiele wetenschappers nodig. Van deze bevinding, die prof. Van der Waals namens de 'werkgroep Kwaliteit' van de RU Leiden verwoordde (W&O, 4 april) zal niemand in de wetenschappelijke wereld opkijken en niemand zal ze tegenspreken. Maar betekent het ook dat de universiteit niets aan loopbaanplanning voor jonge academici hoeft te doen, zoals Van der Waals concludeert?

Er schijnen 'jonge alfawetenschappers' te zijn die vinden dat ze 'recht hebben' op een vaste carrière in de wetenschap. Immers, op de KNAW-bijeenkomst die ging over de toekomst van jonge academici, zeiden dezen, volgens Van der Waals: “We zitten nou in die wetenschap, je kunt ons niet meer afdanken. Wij hebben recht op een universitaire loopbaanplanning.” Voorbijgaand aan het feit dat het citaat niet weergeeft wat er werkelijk gezegd is die middag, is het vooral storend dat dit citaat een negatieve karakterisering van met name alfawetenschappers geeft - alsof die met name onrealistisch en pretentieus zijn in hun wensen ten aanzien van hun wetenschappelijke toekomst.

Maar het gaat de nieuwe generatie alfawetenschappers niet om een vaste carrière als 'recht'. De wens is veel bescheidener: men wil enig uitzicht op een aanstelling, tijdelijk of vast, wat dan ook. Het probleem is namelijk dat je maximaal tot je 40ste jaar tijdelijke aanstellingen kunt krijgen. Daarna word je geacht een vaste aanstelling te hebben verworven. De meeste aio/oio's promoveren tussen hun 30ste en 35ste jaar. Als je geluk hebt en je projectvoorstellen worden elke keer gehonoreerd (wat vrijwel nooit het geval is want de spoeling is dun) werk je dus globaal zo'n twee maal 3 à 4 jaar aan een postdoc-onderzoek. Voor de weinige vaste aanstellingen staan de postdoccers onderaan de lijst.

De vaste staf (van letterenfaculteiten) bestaat bijna geheel uit 45/60-jarigen en deze groep stroomt niet door. Behalve door natuurlijk verloop (overlijden, pensionering) komen er geen vacatures. De rechtspositie van deze groep medewerkers is zo dichtgetimmerd dat hieraan niets te veranderen lijkt - in elk geval niet door postdocs die als tijdelijk personeel vrijwel geen invloed hebben op het universitair beleid.

Toch zou het niet onterecht zijn om het wetenschappelijk gehalte van het werk van de vaste staf aan dezelfde strenge eisen te onderwerpen als het werk van de postdocs, en er dezelfde consequenties aan te verbinden: doe je je werk niet goed genoeg, zoek dan een andere baan. De jongere generatie wil geen gespreid bedje (want iedereen ziet wat daar van komt) maar wel: eerlijke concurrentie om de schaarse banen te kunnen verwerven.

Wie zal, nadat de huidige vergrijzende generatie met pensioen is, de fakkel kunnen overnemen? Wie zal er dan naast onderzoekservaring ook voldoende ervaring hebben opgebouwd om de nodige organiserende, begeleidende en leidinggevende taken te kunnen uitvoeren?

Alles bij elkaar genomen lijkt het mij dat de universiteiten deze problemen serieus moeten nemen en aan een bepaalde vorm van loopbaanplanning voor jonge onderzoekers moeten werken. Ik voorspel voor de komende tien jaar een enorme braindrain richting buitenland en instellingen buiten de wetenschap.

In mijn omgeving zijn tussen 1992 en 1994 24 personen gepromoveerd. Acht hiervan hebben inmiddels een onderzoeksbaan in het buitenland gevonden (Groot-Brittannië, Duitsland, Ierland, De Verenigde Staten, Australië). Acht hebben de wetenschap verlaten. De andere acht hebben een tijdelijke postdocplaats.

    • Dr. Marian Klamer