Taal is geen kwestie van Orwelliaanse efficiëntie

Normalisatie is het maken van afspraken over hoe dingen moeten zijn en processen dienen te verlopen. Al in de oudste samenlevingen was er al sprake van afspraken en vaste gebruiken; in Egypte en Mesopotanië maakte men bouwstenen uit klei van dezelfde afmetingen. Men ordende, of anders gezegd, men normaliseerde om routinematig en dus efficiënt te kunnen werken. Dit gebeurde niet bewust; het was vanzelfsprekend. De bekende geschiedenis van de bouw van de stad en de toren van Babel uit de bijbel is wellicht het oudste voorbeeld van het falen van normalisatie. Het bouwproces liep spaak doordat de taal 'verabnormaliseerde', of anders gezegd: 'verchaotiseerde'.

Bewust normaliseren werd onvermijdelijk als gevolg van grootschalige industriële produktie. Door specialisatie produceert de ene fabrikant iets waarop een andere fabrikant moet aansluiten. Het in Griekenland gemaakte moertje moet passen op het in Duitsland geproduceerde boutje. Vaste lengte-, oppervlakte-, gewichtseenheden en dergelijke zijn ook het resultaat van normalisatie. Geen moderne samenleving is denkbaar als iedereen zijn eigen maatstaf zou hanteren. Hierin orde scheppen, dat wil zeggen normen opstellen, noemt men normalisatie. Normen hebben een communicatief karakter.

Vandaag de dag zijn normen geautoriseerde documenten (in ons land NEN-documenten) waarin wordt beschreven hoe dingen of processen dienen te zijn of te verlopen. Normen worden geacht opgesteld te worden door alle belanghebbende marktpartijen. Zij worden geautoriseerd door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) te Delft.

Normen zijn dus technisch van aard. Daarbij speelt de taal een cruciale rol. Ik memoreerde al het debacle van Babel. Normalisatoren (opstellers van normen) onderkennen dit ook. Daarom laten normalisatoren de normen beginnen met definities van de te normaliseren dingen en/of processen. Op het eerste gezicht lijkt dit een vanzelfsprekende aanpak. Toch is dit nog maar de vraag. Want, kunnen experts ons de taalkundige les lezen?

Laten wij eens kijken hoe een en ander in elkaar steekt aan de hand van twee voorbeelden van huiselijke aard: de stekker en het stopcontact. De woorden waarmee we deze dingen duiden, zijn woorden uit de dagelijkse omgangstaal, het Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN), en staan in alle woordenboeken. Echter, zoeken we deze woorden in zo'n woordenboek op, dan attendeert deze ons erop dat de officiële woorden hiervoor zijn: steker en wandcontactdoos. Rijst de vraag, wat de betekenis is van officieel.

Om de verwarring te 'completeren' is er naast normale en officiële woorden nòg een categorie woorden, namelijk woorden volgens de norm. Deze luiden voor stekker en stopcontact: contactstop en contactdoos. Met het genormeerde woord 'stopcontact' bedoelt men wat een leek zou noemen 'een combinatie van stekker en stopcontact'. Deze genormeerde woorden die u vaak tevergeefs in de woordenboeken zult zoeken, kunt u maar in één boek vinden, namelijk in 'Veiligheidsbepalingen voor laagspannings-installaties', de NEN-1010, die wordt uitgegeven door het NNI.

Wij kennen dus normale, officiële en genormeerde woorden. Welke woorden zijn nu goed, juist of correct? Het antwoord op deze vraag weet niemand. Daar hier een conflict sluimert, moet deze vraag toch eens beantwoord worden. Want, stelt u zich eens de situatie voor waarbij het inkopende bedrijf stopcontacten bestelt op basis van de 'normentaal' en het verkopende bedrijf deze levert op basis van de 'normale taal'. Het geschil over de contactstoppen die al of niet geleverd hadden moeten worden, ligt voor de hand. Als hier ook nog een rechter bij te pas moet komen, zou je met hem te doen kunnen hebben. Want hij moet in feite uitmaken welke taal abnormaal is: de 'normentaal' of de 'normale' taal.

In de normentaal zijn de dingen scherp omlijnd gedefinieerd. Zo luidt de definitie van 'contactdoos': het stroomgevend deel van een stopcontact, bestemd voor het opnemen van een contactstop. Iets wat een leek gewoon 'stopcontact' noemt.

De definitie van 'conctactstop' luidt: het stroomontvangend deel van een stopcontact, bestemd voor bevestiging aan een buigzame leiding of deel uitmakend van een toestel. Een leek zegt hier 'stekker' tegen. Als u nu de draad een beetje kwijt geraakt bent, troost u zich dan met de gedachte dat u niet de enige bent.

Het bovenstaande doet mij denken aan Orwells dystopische roman 1984. In de aanhangsel ervan beschrijft Orwell enkele principes van newspeak als volgt: “De Woordenlijst C [...] bestond uitsluitend uit wetenschappelijke en technische termen. Deze [...] hadden een scherp omlijnde inhoud en waren ontdaan van ongewenste betekenissen. [...] Bijna nooit werd één van de C-woorden gebruikt in de dagelijkse omgangstaal of in politieke redevoeringen. Iedere wetenschappelijke werker of technicus kon alle woorden die hij nodig had, vinden in de lijst die was gewijd aan zijn speciale terrein, maar bijna nooit had hij meer dan een uiterst oppervlakkige kennis van de woorden die op de andere lijsten voorkwamen ...” De actualiteit van Orwells 1984 is kennelijk niet afhankelijk van het al of niet aanwezig zijn van een Big Brother. Trouwens, in 1984 bestaat hij ook niet ...

Experts streven naar het meest efficiënte. Daar is niets op tegen als het om de techniek gaat. Maar laten zij van de taal afblijven. Taal is niet te vangen in efficiency-termen. Daarom moeten ook de experts gewoon stopcontact en stekker blijven zeggen. Dan weten we allemaal wat wij (ook zij) ermee bedoelen. En daar gaat het toch om?

Maar er is meer aan de hand. Genoemde experts beperken zich niet tot technische dingen. Zo geeft het NNI een norm uit genaamd 'Goed woordgebruik in bedrijf en techniek' (NEN-5050). Deze norm 'bepaalt' ook niet-technisch taalgebruik, dus algemene Nederlandse taal. Deze norm is opgesteld door technische universiteiten, banken en grote bedrijven. De techniek en het kapitaal - het nieuwe Babel - gaan dus ook formeel onze taal bepalen. En zo dreigt de taal te 'verabnormaliseren' tot een soort newspeak.

Een maatschappelijk debat over de verhouding taal en economie/techniek lijkt mij daarom meer aan de orde dan de kwestie of het bodedienst dan wel bodendienst moet zijn.