Symbolisch keerpunt in strijd joden, Arabieren

JERUZALEM, 25 APRIL. De Palestijnse president, Yasser Arafat, heeft gisteren het parlement van de PLO, de Palestijnse Nationale Raad (PNC), zo ver gekregen het Handvest van de PLO af te schaffen.

Daarmee is een symbolisch keerpunt bereikt in de nu al bijna honderd jaar durende oorlog tussen de joods-nationale beweging (het zionisme) en de Arabisch-nationale beweging in Palestina.

Arafat stond onder zware druk van de premier van Israel, Shimon Peres, om zijn op schrift gestelde akkoord daarover met Peres' voorganger Rabin nu eindelijk na te komen. De laatste afspraak met Israel was om alle 'Dood aan Israel-clausules' vóór 7 mei te schrappen. Anders, zo had Peres gedreigd, zou Israel de onderhandelingen over alle nog uitstaande problemen stopzetten. Bovendien zou er geen sprake zijn van terugtrekking van de Israelische troepen uit Hebron, de laatste grote Palestijnse stad die nog door het Israelische leger bezet wordt en die al eind maart volgens het met Arafat gesloten akkoord had moeten worden ontruimd.

Het was geen toeval dat het besluit van de PNC 24 uur eerder werd genomen dan voorzien was - nota bene op Onafhankelijkheidsdag, de viering van Israels 48ste verjaardag. Dat kan vandaag de doorslag geven op de bijeenkomst van de Arbeidspartij, waar een voorstel van het partijbestuur in stemming komt om de clausule te schrappen uit het verkiezingsplatform dat er nooit en te nimmer een Palestijnse staat mag komen. Peres' tegenstanders binnen de Arbeidspartij, die de PLO even slecht gezind zijn als de Likud dat is, hebben nu opeens veel minder argumenten in handen.

De 669 leden tellende PNC nam met een zeer ruime meerderheid van 504 leden een resolutie aan om “het nationale Handvest te amenderen, door die artikelen te schrappen die in strijd zijn met de brieven welke de PLO en de Israelische regering (in 1993 en 1995) aan elkaar hebben geschreven”.

Pagina 4:

Tekst was sinds 1988 al verjaard

Daarnaast moet de juridische commissie van de Palestijnse Nationale Raad binnen een half jaar een nieuw handvest opstellen, dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Centrale Raad (een orgaan van 108 PNC-leden, dat als mini-parlement de dagelijkse PLO-leiding moet controleren).

Het thans afgeschafte handvest, aanvankelijk aangenomen in 1964 en vier jaar later nog eens aangescherpt, bepaalde dat “gewapende strijd de enige weg is naar de bevrijding van Palestina”. Het verwierp de geldigheid van de VN-resolutie van november 1947 die Palestina in een joodse en een Arabische staat verdeelde, en het eiste dat de stichting van de staat Israel (in mei 1948) ongedaan moest wordt gemaakt - “hoe lang geleden dat ook geweest moge zijn”. Voorts stelde het handvest dat “alleen het Palestijnse volk legitieme rechten heeft op zijn vaderland”, terwijl slechts een zeer beperkt aantal joden als religieuze minderheid in een Palestijnse staat zou mogen leven.

In feite was dit handvest sinds 1988 verjaard, toen Arafat daadwerkelijk besloot met Israel tot een politieke regeling te komen. In mei van dat jaar verklaarde hij op advies van de Franse president Mitterrand dat het handvest caduque was. En eind 1988 besloot de PNC een Palestijnse staat op te richten, conform de delingsresolutie van de VN van november 1947.

Toch bleef het handvest voor zeer veel Palestijnen een heilige koe: het belichaamde de diepste overtuiging van het merendeel van de Palestijnen. Daarom werd de stemming geboycot door de ideologen: het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina van George Habbash, het Democratisch Front voor de Bevrijding van Palestina van Nayef Hawatmeh en de aan Hamas gelieerde Partij van de Islamitische Redding. De tegenstemmers waren vooral intellectuelen, zoals Haidar Abdel Shafi en Hanan Ashrawi, die aan de vredesonderhandelingen met Israel in Washington hadden deelgenomen. Zij zijn voorstanders van het vredesproces, maar vinden het tijdstip voor zo'n belangrijke concessie te vroeg. Haidar Abdel Shafi zei gisteravond in een telefonisch commentaar dat hij al lang alle hoop in de PNC had opgegeven. “Bij de jongste verkiezingen in de autonome gebieden bleek dat de kiezers erg gekant waren tegen een wijziging van het handvest. Het besluit van de PNC is dan ook voor velen buitengewoon frustrerend.”

Inderdaad bevestigde een opiniepeiling van een betrouwbaar Palestijns onderzoekscentrum in Jeruzalem dat slechts 15 procent van de Palestijnse bevolking een wijziging van het handvest zonder Israelische tegenprestatie goedkeurde, 32 procent als er aan Palestijnse voorwaarden zou worden voldaan (bijvoorbeeld Israels goedkeuring van een Palestijnse staat) en 26 procent tegen elke wijziging gekant was. Dat was op 1 februari. Zonder enige twijfel is sindsdien het kamp van de tegenstanders sterk gegroeid na Israels afsluiting van de autonome gebieden, en zeker nu, na de Israelische militaire actie in Libanon.

Omgekeerd was het handvest voor zeer vele Israeliërs een onomstotelijk bewijs dat de PLO een puur terroristische beweging was, die genocide op de joden wilde plegen. Vandaar dat vooral 'het vredeskamp' in Israel, dat naar verzoening met de Palestijnen streeft, voortdurend aandrong op wijziging van het handvest. De rechts-nationalistische Likud, die van verzoening met de PLO niets wil weten, was daarentegen helemaal niet geïnteresseerd in zo'n wijziging, maar veranderde de afgelopen maanden van koers. Ervan overtuigd dat de oude Arafat wél zijn haren, maar niet zijn streken had verloren, eiste nu ook de Likud afschaffing van het handvest - in de verwachting dat Arafat dat niet zou doen.

De woordvoerders van de regering spraken dan ook gisteren en vandaag hun diepe tevredenheid uit. Het besluit van de PNC om adieu te zeggen tegen zijn vertrouwde handvest betekent immers niet alleen een duidelijke herbevestiging van Arafats leiderschap, maar ook een verbetering van Peres' kansen om op 29 mei door de Israelische bevolking tot premier te worden gekozen. Bovendien laat het zien dat het vredesproces gewoon doorgaat, ondanks alle oorlogshandelingen in Libanon en alle retoriek daar omheen. Daarmee vergroot Arafat de mogelijkheid om over een paar jaar zijn droom te realiseren: een onafhankelijke Palestijnse staat onder zijn leiderschap.

Hoewel Arafats omgeving de afgelopen dagen naar buiten toe suggereerde dat het wel eens spannend kon worden, was er geen twijfel aan dat hij - zoals altijd - de PNC naar zijn hand zou kunnen zetten. Hij heeft voldoende overredingskracht en persoonlijke charme, die hij desgewenst kon aanvullen met fondsen en bestuursposten voor de weifelaars en zonodig met dreigementen. Zondagnacht benoemde hij nog eens 98 nieuwe leden van de PNC, zodat het een uitgemaakte zaak was dat hij meer dan de noodzakelijke tweederde meerderheid zou halen - 446 van de 669 PNC-leden.

Op de achtergrond hebben Peres en zijn mensen een beslissende rol gespeeld. Zij overtuigden Arafat van de noodzaak om een in Palestijnse kring impopulaire beslissing te nemen. Vandaar dat de Palestijnse president een paar dagen geleden zijn tegenstanders in de PNC vertelde “dat wij niet alleen maar kunnen nemen, we moeten ook geven”.

Deze zeer on-Arafatse uitspraak werd volgens goed ingelichte Israelische bronnen aan de Palestijnse president gesuggereeerd door Uri Savir, hoofdonderhandelaar met de Palestijnen en een naaste vertrouweling van Peres. Conform zijn suggestie sprak Arafat deze woorden uit aan het begin van zijn rede, zodat het Israelische nieuwsjournaal ze op prime time kon uitzenden. Vandaar Peres' commentaar, gisteren, tegen journalisten:“ Ik heb altijd gezegd dat we Arafat kunnen vertrouwen.”

'Ik heb altijd gezegd dat we Arafat kunnen vertrouwen', aldus premier Peres

    • Michael Stein