Muizen rond centrale van Tsjernobyl overleven zwaar radio-actief

Onder woelmuizen die permanent in de directe nabijheid van de centrale van Tsjernobyl leven, muteert het mitochondriaal DNA honderd tot duizend maal sneller dan bij muizen die op dertig kilometer afstand van de centrale wonen. Amerikaanse biologen die de genetische effecten van de stralingsbelasting rond Tsjernobyl op een populatie veldmuizen en een andere woelmuissoort onderzoeken, laten in het midden of de ongekend hoge mutatiesnelheid een gevolg is van straling of van blootstelling aan mutagene chemicaliën (Nature, 25 april).

Binnen een kilometer van de centrale leven muizen in zo'n zwaar radioactief besmette omgeving dat ze ook zelf sterk radioactief zijn geworden. Toch weten zij zich te handhaven. Er zijn weinig andere morfologisch abnormaliteiten waarneembaar dan een vergrote milt bij een fractie van de populatie. De onderzoekers analyseerden voor vijf muizen van elke soort, zowel bij de experimentele als de controlegroep, de basevolgorde in het deel van hun mitochondriaal DNA dat codeert voor het enzym cytochroom b. Ze leiden uit de gevonden verschillen een mutatiesnelheid af van meer dan één puntmutatie per 10.000 basen per generatie. Gewoonlijk is de snelheid minder dan één mutatie per miljoen basen per generatie. De waarneming werd bevestigd door vergelijking van de base-volgorde in DNA voor cytochroom b bij een vrouwtjesmuis en de vijf embryo's die zij bij zich droeg. (Mitochondriaal DNA wordt uitsluitend via de moeder overgedragen.) Drie embryo's hadden mitochondriaal DNA dat van de moeder afweek.

De onderzoekers noemen het niet waarschijnlijk dat het DNA in de kern van de muizecellen, dat gewoonlijk beter beschermd is tegen mutagene invloeden, een even hoge mutatiesnelheid bezit. Dat zou al binnen een generatie fataal zijn.

In hetzelde nummer van Nature melden onderzoekers uit Rusland en Wit-Rusland een verhoogde mutatiesnelheid in kern-DNA van kinderen die na 1993 zijn geboren uit ouders die in zwaar radioactief vervuilde gebieden van Wit-Rusland woonden en nog wonen. DNA uit bloedmonsters van ouders en kinderen uit het district Mogilev werd onderworpen aan een DNA-fingerprint onderzoek. De resultaten werden vergeleken met de uitkomst van een zelfde onderzoek in Engeland. In Wit-Rusland was de mutatiefrequentie ongeveer twee keer zo hoog. Omdat de Engelse controlegroep niet goed vergelijkbaar was met de groep in Wit-Rusland, is gepoogd meer zekerheid te krijgen over de rol van straling als verklaring voor de extra mutaties. Een dosis-effect onderzoek toonde inderdaad een evenredigheid aan tussen het voorkomen van mutaties en de mate waarin de omgeving met cesium-137 was vervuild. Een begeleidend commentaar van Nature, dat het meeste gewicht toekent aan de onverwachte uitkomst van het muizenonderzoek, stelt dat het niet waarschijnlijk is dat de vele extra mutaties in het muizen-DNA uitsluitend een effect van straling zijn.