Meer leerlingen op Havo en VWO én beroepsonderwijs

ZOETERMEER, 25 APRIL. Sinds het schooljaar 1992-1993 tekent zich een scherpere tweedeling af tussen de niveaus van derdeklassers in het voortgezet onderwijs. Het aandeel derdeklassers in voorbereidend beroepsonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs groeit, evenals het aandeel leerlingen op het Havo en VWO. Daar staat tegenover dat het aandeel derdeklassers op het Mavo afneemt.

Dit blijkt uit cijfers die het ministerie van Onderwijs op een rijtje zette in het rapport 'Voortgezet onderwijs in cijfers 1996'. Vier van de honderd leerlingen in de derde klas zitten dit schooljaar in het voortgezet speciaal onderwijs (VSO); 33 scholieren volgen een opleiding voor voorbereidend beroepsonderwijs (VBO); 28 doen Mavo; 16 volgen Havo; en 16 zitten op een VWO-opleiding. Tien jaar geleden volgden nog twee van de honderd derdeklassers voortgezet speciaal onderwijs, 37 voorbereidend beroepsonderwijs, 32 Mavo, 12 Havo en 13 VWO.

Opvallend is vooral het herstel van het voorbereidend beroepsonderwijs, voorheen lager beroepsonderwijs (LBO). Het beroepsonderwijs kampt sinds 1985 met een negatief imago en een daarmee gepaard gaand afkalvend leerlingental. Dat wordt toegeschreven aan de lage maatschappelijk status die ouders en leerlingen het schooltype toekennen. Vorig schooljaar steeg ook voor het eerst het aantal VBO-gediplomeerden.

De stijging van het percentage leerlingen in het individueel voorbereidend beroepsonderwijs (IVBO) en voortgezet speciaal onderwijs (VSO) schrijven de onderzoekers toe aan de toename van allochtone leerlingen. Het aantal leerlingen uit culturele minderheden in het voortgezet onderwijs blijft geleidelijk stijgen, ondanks de daling van het totaal aantal leerlingen door afname van de bevolkingsgroei tot ruim 850.000 leerlingen. Daarvan zijn ongeveer 55.000 scholieren afkomstig uit een culturele minderheid.

Allochtone leerlingen zijn oververtegenwoordigd in het IVBO en VSO, en in mindere mate ook in het VBO. Verwonderlijk is dat niet, schrijven de onderzoekers. Zo wordt het eerste leerjaar IVBO gebruikt als opvangplek voor buitenlandse jongeren die net in Nederland zijn. Wel verbetert de positie van Marokkaanse en Turkse leerlingen enigszins. De tweede generatie allochtonen vindt steeds vaker een plek op Mavo, Havo of VWO. De verdeling van deze groep scholieren over de verschillende typen onderwijs komt in belangrijke mate overeen met de verdeling van autochtone scholieren uit lagere sociale milieus.

De schoolcarrière van middelbare scholieren verloopt steeds voorspoediger. Het zittenblijven neemt af en het aantal leerlingen dat zonder diploma de school verlaat, is in 1993 gedaald tot 22.700 leerlingen. In 1980 ging het nog om 45.600 leerlingen. De daling betreft alle schooltypen behalve het VWO. Daar is het aandeel van schoolverlaters zonder diploma ten opzichte van gediplomeerde gestegen van 10,9 procent in 1991 tot 15,5 procent in 1993.

Een voorspoediger schoolcarrière brengt met zich mee dat de gemiddelde tijd die de leerlingen in het voortgezet onderwijs doorbrengen, terugloopt. Deed een Mavist die in 1977 begon nog 4,55 jaar over zijn opleiding, de groep die in '89 begon had 4,33 jaar nodig. In het VBO was sprake van een daling van een gemiddelde van 4,36 jaar naar 4,28 jaar. Het percentage Havo-leerlingen dat zonder vertraging de school doorliep, steeg van 39 naar 48.

Meisjes op zowel VBO als Mavo doorlopen de school sneller dan jongens. Op het VBO heeft 81 procent van de meisjes geen extra tijd nodig, tegen 73 procent van de jongens. Ook is er verschil tussen sociale milieus. VBO-leerlingen uit een arbeidersmilieu (bijna 40 procent) lopen gemiddeld minder vertraging op dan de 6 procent VBO-leerlingen uit de hogere milieus. In Havo en VWO is dat effect nog sterker. Leerlingen met ouders met lage opleiding doorlopen Havo en VWO sneller dan gemiddeld. Leerlingen uit hogere milieus hebben juist meer tijd nodig om de opleiding te voltooien.

Ook de neerslag van de fusiegolf die in 1991 werd geïnitieerd door het ministerie van Onderwijs, is duidelijk terug te vinden in de cijfers in het rapport. Sinds vorig schooljaar zit het leeuwendeel van de middelbare scholieren (53 procent) op een van de 233 brede scholengemeenschappen waarin VBO, Mavo, Havo en VWO zijn ondergebracht. Het aantal middelbare scholen is in negen jaar tijd meer dan gehalveerd, van 2.016 scholen in het schooljaar 1987-1988 tot 852 dit schooljaar. Daardoor is de gemiddelde schoolgrootte verdubbeld. Telde een middelbare school in het schooljaar 1987-1988 gemiddeld nog 525 leerlingen, dit schooljaar heeft een school gemiddeld 1.073 leerlingen.