Het lot van de Grote Karekiet

Jaap Graveland begon in 1994 op het DLO-Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek met een onderzoek naar de achteruitgang van Rietzanger, Grote Karekiet en andere rietbewoners. Hun opgewekte zang (of liever gezegd, gekras, geknerp en geschetter) klinkt de laatste jaren steeds minder uit het riet. Volgens Graveland is dat vooral te wijten aan de slechter wordende rietkwaliteit en het verdwijnen van libellen en andere grote insecten, waar vooral de Grote Karekiet een liefhebber van is. De rietmoerassen hebben te lijden van overbemesting, verlanding en een onnatuurlijk waterpeilbeheer. Omstreeks 1980 waren er nog 1500 broedparen van de Grote Karekiet in ons land, nu nog maar 350. Aan de toenemende drukte op het water kan het niet liggen, want op de Loosdrechtse en Reeuwijkse Plassen houdt de soort nog stand.

Ook andere moerasvogels hebben het moeilijk. Met Roerdomp en Wouwaap, Purperreiger en Zwarte Stern gaat het uitgesproken slecht. Het aantal Rietzangers is sinds de jaren zestig met 60 procent achteruitgegaan, het aantal Grote Karekieten zelfs met 95 procent. Ten dele komt dat door problemen in het overwinteringsgebied. Purperreiger en Rietzanger gaan achteruit door de droogte in West-Afrika. Voor de Grote Karekiet echter gaat dat niet op. Deze soort overwintert buiten de beruchte Sahelzone en vindt zijn voedsel niet uitsluitend in moerasgebieden. Zijn problemen liggen dicht bij huis. Merkwaardig genoeg doet hij het in het hoge noorden juist heel goed. In Zweden namen de aantallen sinds de jaren zestig toe van minder dan 10 naar circa 700 broedparen. In ons land is juist de Kleine Karekiet in opmars. In veel terreinen waar je vroeger vooral de Grote Karekiet zag, zit nu zijn kleine neef.

Graveland spitst zijn onderzoek toe op de Weerribben in Noordwest Overijssel, een natuurgebied van legakkers en petgaten met helder en matig voedselarm water, en het tamelijk troebele, voedselrijke Zwarte Meer, een ondiep randmeer ten zuiden van de Noordoostpolder. Daar meet hij na het broedseizoen met opperste nauwkeurigheid de hoogte en dikte van de rietstengels rond de nesten, waterdiepte, afstand van nest tot oever, kortom alles wat maar van belang zou kunnen zijn. Met speciale vallen wordt het insectenbestand beoordeeld, en ook worden de ouders vanuit een schuilhut begluurd bij het voeren van de jongen. Opvallend is, dat de driemaal zo dikke en minder beweeglijke Grote Karekiet nestelt in ijler, minder verruigd, hoger riet met dikkere stengels en meer overjarige stengels dan de Kleine Karekiet. Ze broeden uitsluitend in brede kragen waterriet, waar minder kraaien op het nest loeren en waar het vrouwtje de taaie rietstengels bij het vlechten van het nest eerst in het water kan dopen. Door de verdroging en verlanding neemt het aandeel waterriet sterk af.

Kleine Karekieten broeden veel dichter langs de oever, desnoods in een smalle, verruigde strook landriet. Beide soorten zoeken bij voorkeur een plekje in de rietkraag met veel overjarige stengels. Dit verklaart ook waarom het in de Reeuwijkse en Loosdrechtse Plassen en in het Zwarte Meer nog goed gaat met de Grote Karekiet: daar vind je nog waterriet. In het troebele Zwarte Meer is het voedselaanbod echter veel minder gunstig dan in de Weerribben. Bij gebrek aan libellenlarven krijgen de jonge karekieten er giftige rupsen van de Dagpauwoog en veel jongen sterven in het nest.