Goed en fout onder historici

De meeste grote historici ontlenen hun roem aan het schrijven van grote boeken. Er zijn echter ook uitzonderingen. Zo zijn er enkele historici die geen grote werken hebben geschreven en toch beroemd zijn geworden. De Nederlandse historicus Robert Fruin was zo iemand. Hij schreef veel. Zijn Verspreide Geschriften omvatten tien kloeke delen, maar dat werk bestaat vrijwel geheel uit kleinere studies. Na zijn jeugdwerk over de Tien jaren schreef hij geen groot boek meer. Toch was hij zeer beroemd. 'De Nederlandse Ranke' werd hij wel genoemd, maar die vergelijking onderstreept eigenlijk alleen maar het verschil tussen beiden, want Ranke was nu juist wel een man van grote werken en machtige syntheses.

Fruin was een uitzondering. Zijn beroemde collega's en tijdgenoten excelleerden in het schrijven van grote samenvattende studies. Tegenwoordig is dat minder belangrijk. Wij leven in een tijd van specialisatie. Maar een aantal grote monografie-ën is toch meestal wel nodig om naam te maken. Een uitzondering op deze regel wordt gevormd door de in 1987 overleden Arnaldo Momigliano. Deze historicus van de oudheid wordt algemeen beschouwd als een van de lumina van de hedendaagse geschiedschrijving. Hij was een oud-historicus, maar zijn reputatie was niet tot de kleine kring van vakgenoten beperkt. Algemene historici en geschiedfilosofen kenden en waardeerden zijn werk ook. Vele eerbewijzen vielen hem ten deel - zo was hij onder veel meer eredoctor van de Leidse Universiteit - en zijn invloed en gezag waren groot. Toch schreef hij na zijn jeugdjaren nooit meer een groot werk. Zijn oeuvre bestaat uit kleine geschriften: essays, recensies, kanttekeningen bij problemen en hypothesen, reacties op het werk van anderen. Daaraan ontleende hij zijn roem. Dat verspreide werk is later verzameld in talrijke bundels die onder de titel Contributi zijn verschenen. Het is even omvangrijk als breed en getuigt van grote scherpzinnigheid en eruditie.

Een element dat stellig ook bijdroeg tot Momigliano's aanzien en bekendheid was zijn levens- en familiegeschiedenis. Hij was afkomstig uit een joodse familie uit Piemont. Aangezien hij in 1908 was geboren, maakte hij de opkomst en triomf van het Italiaanse fascisme mee. In 1938 moest hij, als gevolg van Mussolini's rassenwetten het land verlaten. De rest van zijn leven bracht hij voornamelijk door in Engeland, waar hij hoogleraar was, en in Amerika, waar hij vaak als gasthoogleraar verbleef. Arnaldo Momigliano had meer geluk dan de rest van zijn familie. Zijn beide ouders werden vermoord in een Duits concentratiekamp, evenals negen andere familieleden.

Deze geschiedenis is welbekend en het was daarom nogal een schok onlangs in een artikel in de Times Literary Supplement een verhaal te lezen over enkele onbekende kanten van Momigliano's leven. Hieruit blijkt namelijk dat Momigliano als student lid was van een fascistische organisatie en later lid werd van de fascistische partij, wat hij bleef tot hij er in 1938 op grond van al de genoemde wetgeving werd uitgezet. Zijn vader was enige tijd actief als functionaris van dezelfde partij. Ik ontleen deze gegevens, zoals gezegd, aan een artikel in de Times Literary Supplement van W.V. Harris, die het op zijn beurt weer ontleent aan een bronnenpublicatie van Riccardo di Donato, een vriend van Momigliano. Het curieuze is nu dat Momigliano over deze geschiedenis nooit heeft gesproken, maar de documenten erover wel zorgvuldig heeft bewaard, aldus de quasi-zekerheid scheppend dat deze feiten ooit aan het licht zouden komen: een curieus compromis tussen de gevoelens van de mens en het geweten van de historicus.

Dit verhaal lezend, moest ik denken aan de discussie die thans in Frankrijk gaande is over de relatie tussen Marc Bloch en Lucien Febvre. Deze beide beroemde historici gelden als de grondleggers van de Annales-school en ontlenen daaraan een groot deel van hun roem. Die school is genoemd naar het tijdschrift Annales dat zij samen oprichtten en waarvan zij ook enige tijd samen eigenaars waren. Dit laatste feit zou door onvoorziene omstandigheden tot een probleem leiden. Toen Frankrijk in 1940 werd bezet, werden daar ook de anti-joodse maatregelen ingevoerd. Joodse eigendommen werden geconfisqueerd. Aangezien de Annales voor de helft van Bloch was en dus, in de termen van de bezetter, voor de helft in 'niet-arische' handen, liep ook het voortbestaan van dit blad gevaar. Voor Febvre woog dit het zwaarste. Hij vroeg Bloch de volledige eigendom aan hem over te dragen en zijn naam uit het tijdschrift te laten verwijderen. Bloch reageerde hier begrijpelijkerwijs verontwaardigd op. Febvre van zijn kant hield voet bij stuk. Voor hem ging het belang van de Annales boven alles. Hij ging zelfs zover, enigszins verrassend, Bloch te beschuldigen van desertie en verraad. Febvre kreeg zijn zin. De omstandigheden lieten Bloch weinig keus. Zijn naam werd van het titelblad verwijderd en zijn bijdragen verschenen voortaan onder pseudoniem. Zo ging het tot hij in 1944 door de Duitsers werd gearresteerd en kort daarna doodgeschoten.

Deze kwestie tussen Bloch en Febvre, die indertijd weinig aandacht heeft getrokken, is onlangs, zoals zo veel zaken uit het Franse oorlogsverleden, weer in het nieuws gekomen en in intellectuele kringen uitvoerig besproken. De aanleiding hiertoe werd gevormd door de publicatie van het eerste deel van de briefwisseling tussen Bloch en Febvre en van een onder anderen voor Febvre kritisch boek van Philippe Burin over La France à l'heure allemande. Verschillende historici hebben vervolgens de reputatie van Febvre verdedigd, zo bijvoorbeeld de weduwe van Fernand Braudel en diens recente biograaf Pierre Daix.

Zulke affaires wekken steeds opnieuw beroering. Wij moeten ze overigens wel in perspectief zien. Het gaat hier niet om zaken die vergelijkbaar zijn met die van Paul de Man of Heidegger. Daar gaat het duidelijk om gevallen van mensen die fout zijn geweest. Bij Febvre en Momigliano gaat het om heel andere dingen. Febvre was geen antisemiet en evenmin een aanhanger van Pétain. Ook na het conflict met Marc Bloch over de Annales bood hij deze zo nodig onderdak in Parijs. Febvre wilde de Annales redden door de Duitsers te misleiden. Momigliano is, hoe men het ook wendt of keert, eerder een slachtoffer van het fascisme geweest dan een handlanger. Hij deelde de conservatieve en nationalistische opvattingen van zijn milieu en dat leidde tot een betreurenswaardige keuze, waarvan hij zelf het slachtoffer werd. Er is dus geen reden te spreken van 'fout zijn' of van smetten op reputaties. Zulke kwesties illustreren vooral de onvoorstelbare gecompliceerdheid van de problemen waarmee intellectuelen - maar zij niet alleen! - in deze jaren werden geconfronteerd.