Geen vrienden in Turkije

Niemand weet of Ramazan Güums (12) volgende week nog op school zal zijn. Tien dagen geleden stonden bij hem thuis de koffers al gepakt en lagen de vliegtickets voor Turkije op tafel. De kinderen in Ramazans klas hadden afscheidstekeningen gemaakt, de sfeer op school was bedrukt en nerveus. Zouden de protestbrieven van de kinderen en de leraren aan staatssecretaris Schmitz iets hebben uitgehaald? Konden de Kamervragen van Groen Links nog effect hebben?

De dag voordat de familie Güums uitgewezen zou worden, belde de burgemeester: ze kregen nog veertien dagen uitstel. In de lerarenkamer van de Amsterdamse Oscar Carréschool, die inmiddels het aanzien van een actiecentrum had gekregen, stroomden bij sommige leraren de tranen over de wangen. Maar erg veel tijd voor emoties was er niet, want alle zeilen moesten worden bijgezet om de broertjes Güums en hun ouders te ondersteunen. Om de actie kracht bij te zetten ging de school afgelopen maandag tussen de middag zingen op de Albert Cuypmarkt.

Onder een groot spandoek 'Ramazan en Samet moeten blijven', worden er Turkse, Surinaamse, Nederlandse en Marokkaanse liedjes ten gehore gebracht. De leraren delen protestbriefjes uit en verzamelen handtekeningen onder het winkelend publiek. De moeder van Ramazan staat met armen vol rozen verbaasd toe te kijken hoe haar zoon welwillend vragen beantwoordt voor de camera.

Omdat Ramazan vaak voor zijn vader heeft moeten tolken kent hij de hele uitzettingsgeschiedenis op zijn duimpje. “We zijn nu zeven jaar in Nederland”, begint hij, “ik was vijf toen we hier kwamen. Mijn vader heeft een eigen kledingreparatiebedrijf en vorig jaar dacht hij dat hij wel een verblijfsvergunning kon aanvragen. We zijn toen een stempel gaan halen bij de vreemdelingenpolitie.” Ramazan vertelt hoe moeizaam alles ging en hoe ze van het ene loket naar het andere werden gestuurd. “Steeds maar weer nieuwe afspraken”, verzucht hij. Om een verblijfsvergunning te krijgen, moest zijn vader aantonen dat hij zes jaar in Nederland had gewerkt. Dat werd het struikelblok, want meneer Güums had wel zes jaar gewerkt, maar kon slechts vijf jaar officieel aantonen. Ze verloren een rechtzaak en het beroep op de uitspraak werd afgewezen. Ramazan: “Op een dag kwam de politie mijn vader ophalen en hij werd drie uur op het bureau vastgehouden. Hij moest al onze paspoorten inleveren en kaartjes voor de vliegreis naar Turkije kopen.” Dezelfde week zou de familie Güums nog moeten vertrekken.

“We weten dat het juridisch gezien geen sterke zaak is”, zegt Anja Versnel, lid van de dagelijkse leiding van de Oscar Carréschool en nauw betrokken bij de acties om Ramazan en zijn zesjarige broertje Samat in Nederland te houden. “Wij gaan uit van het belang van de kinderen, want wij maken ons ernstige zorgen over hun toekomst. Ze zijn hier opgegroeid, spreken beter Nederlands dan Turks en zullen in Turkije, waar ze nooit zijn geweest, een compleet nieuwe start moeten maken.” Versnel vindt het inhumaan dat iemand die hier zeven jaar een bestaan heeft kunnen opbouwen, alles keurig volgens de regels heeft gedaan, een bedrijf heeft opgericht, zich bij de Kamer van Koophandel heeft ingeschreven en belasting betaalt, alsnog kan worden uitgewezen. Of, zoals Hicham, een van Ramazans klasgenootjes aan de staatssecretaris schreef: “Misschien hebben jullie een beetje gelijk, maar zo ver moeten jullie het niet brengen. Hij heeft Nederlands leren praten en schrijven en nu is hij het Turks een beetje vergeten. En als hij naar Turkije gaat, worden ze arm en dan heeft hij ook geen vrienden. Alstublieft wilt u hem in Nederland laten.”

Ramazan praat kalm en weloverwogen over de enerverende gebeurtenissen, “maar”, erkent hij, “omdat ik niet weet wat er gaat gebeuren, ben ik ook zenuwachtig. Ik probeer wel eens over Turkije na te denken, maar ik weet niet hoe het daar is.” Ze hebben daar geen huis en zijn vader moet hier zijn bedrijfje achterlaten. Wat hij wel gehoord heeft is dat de scholen in Turkije heel streng zijn en dat je geslagen wordt als je fouten maakt. 'Ik spreek niet goed Turks, dus ik zal wel veel fouten maken', zegt hij met een verontruste blik in zijn ogen. Als zijn meester, Dennis van Bruggen binnenkomt, veert Ramazan op en zijn ogen beginnen te glanzen. De meester slaat een arm om de schouder van Ramazan en vraagt: “Je gaat toch wel mee op schoolreisje, hè? Dan kunnen we alles even drie dagen vergeten.”

Van Bruggen vertelt dat hij erg geschrokken is van de dreigende uitzetting en hij wist in eerste instantie niet goed wat hij ermee aan moest in de groep. “Ik ben afgelopen zomer afgestudeerd en sta voor het eerst voor de klas. Op de Pabo leer je niet hoe je moet handelen als een leerling van de ene op de andere dag wordt uitgewezen.” Hij merkte dat de spanningen en de onrust onder de merendeels allochtone kinderen toenamen. “Ik begon eerst voorzichtig en in algemene termen over de situatie van Ramazan te praten met de klas, maar later merkte ik dat je het met elf- en twaalfjarigen ook heel goed over de politieke achtergronden van het vreemdelingenbeleid kunt hebben.” De woede en de verontwaardiging over het lot van Ramazan waren zo groot dat veel brieven bestemd voor staatssecretaris Schmitz niet verstuurd konden worden. Van Bruggen: “Ik heb de kinderen uitgelegd dat je erg kwaad kunt zijn, maar dat je toch beleefd moet blijven.”

Anja Versnel maakt zich intussen grote zorgen over het lot van andere illegaal verblijvende kinderen bij haar op school. “Dit is de eerste actie die we voeren, maar ik vrees dat er meer van dit soort uitzettingen zullen volgen. Je voelt dat de druk toeneemt en dat is bedreigend voor de kinderen.”

Ramazan probeert tussen de bedrijven door zo goed mogelijk zijn schoolwerk te doen. Waar hij over een paar dagen zal zijn? Hij weet het niet. “Ik hoop niet in Turkije.”