ANGST IN TSJERNOBYL

J.M. Havenaar: After Chernobyl. Psychological factors affecting health after a nuclear disaster. 175 blz, 23 april 1996, Universiteit Utrecht. Promotores prof.dr. H. van Engeland, prof.dr. W. Van den Brink, prof.dr. J. van den Bout.

In de Apocalyps is er al sprake van een grote ster die op het einde der tijden, als een hemelse sirene klinkt, brandend als een fakkel uit de hemel valt en het drinkwater dodelijk vergiftigt. Alsem, bitter kruid, is de naam van de ster. In het Russisch is dat Chernobila. Met deze bijbelse voorspelling besluit de Utrechtse psychiater Johan Havenaar zijn terughoudend gepresenteerde, maar voor wie tussen de regels kan lezen toch dramatische proefschrift. De uitvoerige uiteenzettingen over de betrouwbaarheid en de validiteit van de gebruikte meetinstrumenten, over de representativiteit van de onderzochte steekproeven of over de moeilijkheid om moderne psychiatrische en psychologische inzichten geaccepteerd te krijgen in een land dat zich daar meer dan zeventig jaar voor heeft afgesloten, krijgen onvermijdelijk iets futiels in het licht van de uitkomsten van het onderzoek zelf. Want die laten zien hoe de bevolking van het gebied rond Tsjernobyl er aan toe is - en dat is niet best. Karel Knip heeft op 21 maart in deze bijlage al een scherp beeld geschetst van de treurige levensomstandigheden en de onmacht van de autoriteiten in het gebied waar zich in 1986 de grootste kernramp tot nu toe heeft voltrokken en waar zich elk moment opnieuw zoiets kan voordoen. In 1991 kon nog op het laatste nippertje de ontploffing van een tweede reactor voorkomen worden. Het gevaar blijft bestaan, de sarcofaag die de ontplofte reactor omhult vertoont scheuren en Tsjernobyl blijft nog minstens tien jaar in gebruik, als het Westen niet op korte termijn 7 miljard gulden voor de sluiting over heeft. En dan nog, in de vroegere Sovjet-Unie staan nog eens 15 centrales van hetzelfde gevaarlijke type en er is er zelfs een in aanbouw. Kernrampen zijn voor belangrijk deel rampen op termijn. Mensen kunnen radioactieve straling niet waarnemen en de gevolgen - if any - treden meestal pas na langere tijd en in per geval niet voorspelbare vormen op. Kernrampen, zo bleek al uit eerder onderzoek en zo blijkt ook bij Havenaar, leiden ook niet zozeer tot meer posttraumatische stress-stoornissen, maar tot een chronische bezorgdheid over de eigen gezondheid en die van de kinderen. De angst voor radioactieve straling is begrijpelijkerwijs erg groot en de wetenschap daaraan blootgesteld te zijn, leidt tot een gevoel van demoralisering en uitzichtloosheid, een verlies aan geloof in de toekomst en aan vertrouwen in jezelf, dat typisch is voor een depressie. Wat opvalt - Havenaar laat dat ook in enkele gevalsbeschrijvingen mooi zien - is dat er een sterke neiging bestaat alles wat onder de noemer 'ziek, zwak en misselijk' valt ook, of juist, jaren na de ramp toe te schrijven aan de gevolgen van radioactieve straling. De mensen zelf doen dat en de dokters bevestigen dat. Volgens Karel Knip worden ook psychische problemen gezien als het gevolg van een aantasting van de hersenen door de straling.

Johan Havenaar maakt van die opvatting geen melding, maar het zou weleens het antwoord van de Russische collega's op de uitkomsten van zijn onderzoek kunnen zijn. Zijn conclusie - ook zijn eerste stelling - is dat 'de toename van gezondheidsklachten na de Tsjernobylramp onder de getroffen bevolking beter vanuit angst voor straling dan vanuit de vrijgekomen radioactiviteit zelf kan worden verklaard'. Dat geldt zowel voor de lichamelijke als voor de psychische klachten. De enige werkelijk aangetoonde uitzondering tot nu toe wordt gevormd door een toename van het aantal gevallen van schildklierkanker bij kinderen. Hoe weet Havenaar dat zo zeker? Zou de angst zelf niet ook door de radioactiviteit kunnen worden opgewekt? Biologisch is dat niet erg waarschijnlijk en de reacties van de bevolking op eerdere (bijna) kernrampen, waarbij uiteindelijk vrijwel geen sprake is geweest van een toename van radioactiviteit (Three Miles Island in de Verenigde Staten bijvoorbeeld), laten zien dat het inderdaad vooral de angst voor straling is die tot een sterke verhoging van het klachtenpatroon op korte en op lange termijn leidt. Havenaar heeft bovendien niet alleen onderzoek heeft gedaan naar de gezondheidsklachten van de getroffen bevolking, maar deze ook vergeleken met de gezondheidsklachten van een min of meer vergelijkbare bevolking in een heel ander gebied van Rusland, dat volledig buiten het fall-out gebied van Tsjernobyl valt. Uit die vergelijking blijkt dat de in het stralingsgebied wonende bevolking inderdaad meer gezondheidsklachten heeft, maar ook - en dat geheel onbedoeld - dat het met de gezondheidstoestand van de Russische bevolking als geheel verontrustend slecht gesteld is. Havenaar vergeleek de gezondheidstoestand van de werkende bevolking (18 - 65 jaar) van Gomel, een stad op 130 kilometer van Tsjernobyl met veel evacués en 'liquidatoren' (schoonmakers, in totaal zijn dat er bijna een miljoen geweest) uit het meest getroffen gebied, met die van Tver, een stad ver ten oosten van Moskou. Van de mensen uit Gomel noemt 30% de eigen gezondheid ronduit slecht en 45% komt niet verder dan het oordeel 'gaat wel', in Tver zijn die percentages respectievelijk 10 en 50. Van dezelfde leeftijdsgroep benoemt in Nederland niet meer dan 5% de eigen gezondheid in dit soort termen, zo'n 80% noemt de eigen gezondheid goed tot zeer goed. Bijna de helft van de mensen in de Russische steekproeven gaf aan in de afgelopen maand een arts te hebben bezocht en 60-70% gebruikte medicijnen. 65% van de Gomel-steekproef gaf aan psychische problemen te hebben, in Tver was dat 50% . Dat is allemaal een veelvoud van wat de Nederlandse bevolking op deze gebieden aangeeft en daarbij moet dus steeds bedacht worden dat de Russische cijfers betrekking hebben op een gewone, volwassen populatie, die niet ziek is en niet opgenomen. Het klinische oordeel is overigens in alle gevallen veel strikter, met andere woorden, de Russische bevolking voelt zich zeker niet gezond, maar is daarom nog niet ziek. Het oordeel 'slecht' werd in Gomel en Tver maar in 1% van alle gevallen ook door artsen bevestigd. Niettemin kon bij de meerderheid van de respondenten in de steekproef wel een somatische diagnose gesteld worden en bij meer dan een derde van de bevolking ook een psychiatrische, ongeveer het dubbele van wat voor de Nederlandse bevolking geldt. Vooral angst-en stemmingsstoornissen bleken in de Russische groep veel voor te komen. Alcoholmisbruik is niet meegeteld, omdat de verschillen in opvatting over misbruik tussen Russische en Nederlandse psychiaters onoverbrugbaar bleken. Objectief gezien is er weinig verschil in het ziektepatroon van de inwoners van Gomel en Tver, subjectief is dat verschil er wel degelijk. In Gomel meer klachten, vooral veel algemeen onwelzijn, gevoelens van depressie en psychosomatische problematiek, in Tver minder klachten, maar opvallend veel angststoornissen. Dat heeft zeker te maken met de grote politieke onrust in Rusland in het jaar van het onderzoek (1993), zoals alles erop wijst dat het gevoel niet gezond te zijn zowel in Gomel als in Tver veel te maken heeft met de altijd al abominabele levensomstandigheden en de nu ook nog sterk toegenomen economische en politieke onzekerheid. Voor de bewoners van Gomel komt daar de kernramp nog eens bovenop en alles wijst erop dat de uitstraling daarvan minstens zo erg is als de straling zelf.

Uit het rampgebied zelf zijn meer dan 100.000 mensen gedwongen geëvacueerd, maar de gevolgen van de ramp zijn voelbaar in de levens van bijna vijf miljoen mensen. Een oppervlakte zo groot als de provincie Zuid-Holland is tot verboden gebied verklaard, het Russische toerisme naar Gomel, ooit een geliefd vakantiegebied, is ingestort en voedsel en water worden niet vertrouwd. Door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie ligt de kerncentrale van Tsjernobyl nu in Oekraïne, dat er internationaal politiek munt uit slaat, terwijl de getroffen bevolking voor een groot deel in Belarus (Wit-Rusland) woont, een land dat economisch en politiek zelf een soort Tsjernobyl is. Het gevoel van uitzichtloosheid dat zich van zovelen heeft meester gemaakt, is van het begin af aan nog versterkt door de houding van de autoriteiten. In de beste Sovjet-tradities heeft men aanvankelijk geprobeerd de ramp geheim te houden en toen dat niet meer lukte in een beweging zowel een gedwongen evacuatie als een slordige schoonmaakactie op gang heeft gebracht. Er is geen enkel vertrouwen in de overheid, niet in de maatregelen die de overheid neemt en niet in de informatie die zij verschaft. Wilde geruchten, sensatieverhalen in de pers en uit hun verband gerukte zinsneden uit internationale rapporten vergroten de angst van de bevolking alleen nog maar meer. Het onderzoek van Johan Havenaar maakt deel uit van een Nederlands hulpprogramma voor Tsjernobyl en is uitgevoerd in nauwe samenwerking met psychiaters en onderzoekers ter plaatse. Het is niet bij onderzoek gebleven, een aantal psychiaters en psychologen kon worden bijgeschoold en er is een informatiecentrum ingericht. In Nederland, maar ook internationaal, is het proefschrift van Johan Havenaar een belangrijke bijdrage aan de wetenschappelijke en maatschappelijke heroriëntatie van de sociale psychiatrie. Er is gebruik gemaakt van goede gestandaardiseerde psychologische en psychiatrische meetinstrumenten - voor Russische psychiaters iets geheel nieuws - en door de gecontroleerde opzet was het mogelijk te laten zien wat nu precies de bijdrage is van de kernramp aan het gevoel van onwelbevinden en ongezondheid van de bevolking. Maatschappelijk is het onderzoek bijzonder belangrijk, omdat het goede aanknopingspunten biedt voor een verdere ontwikkeling en verfijning van de hulpverlening bij juist die rampen, die hun werkelijke omvang pas jaren na de gebeurtenis zelf krijgen. Morgen is het tien jaar geleden dat in Tsjernobyl een reactor ontplofte. De bevolking van het gebied leeft sindsdien onder de druk van het wachtofferschap: de angst voor wat nog komen kan.

    • Paul Schnabel