Het nieuws van 25 april 1996

Van der Waals

Goed wetenschappelijk onderzoek heeft mobiele wetenschappers nodig. Van deze bevinding, die prof. Van der Waals namens de 'werkgroep Kwaliteit' van de RU Leiden verwoordde (W&O, 4 april) zal niemand in de wetenschappelijke wereld opkijken en niemand zal ze tegenspreken. Maar betekent het ook dat de universiteit niets aan loopbaanplanning voor jonge academici hoeft te doen, zoals Van der Waals concludeert?

Er schijnen 'jonge alfawetenschappers' te zijn die vinden dat ze 'recht hebben' op een vaste carrière in de wetenschap. Immers, op de KNAW-bijeenkomst die ging over de toekomst van jonge academici, zeiden dezen, volgens Van der Waals: “We zitten nou in die wetenschap, je kunt ons niet meer afdanken. Wij hebben recht op een universitaire loopbaanplanning.” Voorbijgaand aan het feit dat het citaat niet weergeeft wat er werkelijk gezegd is die middag, is het vooral storend dat dit citaat een negatieve karakterisering van met name alfawetenschappers geeft - alsof die met name onrealistisch en pretentieus zijn in hun wensen ten aanzien van hun wetenschappelijke toekomst.

Maar het gaat de nieuwe generatie alfawetenschappers niet om een vaste carrière als 'recht'. De wens is veel bescheidener: men wil enig uitzicht op een aanstelling, tijdelijk of vast, wat dan ook. Het probleem is namelijk dat je maximaal tot je 40ste jaar tijdelijke aanstellingen kunt krijgen. Daarna word je geacht een vaste aanstelling te hebben verworven. De meeste aio/oio's promoveren tussen hun 30ste en 35ste jaar. Als je geluk hebt en je projectvoorstellen worden elke keer gehonoreerd (wat vrijwel nooit het geval is want de spoeling is dun) werk je dus globaal zo'n twee maal 3 à 4 jaar aan een postdoc-onderzoek. Voor de weinige vaste aanstellingen staan de postdoccers onderaan de lijst.

De vaste staf (van letterenfaculteiten) bestaat bijna geheel uit 45/60-jarigen en deze groep stroomt niet door. Behalve door natuurlijk verloop (overlijden, pensionering) komen er geen vacatures. De rechtspositie van deze groep medewerkers is zo dichtgetimmerd dat hieraan niets te veranderen lijkt - in elk geval niet door postdocs die als tijdelijk personeel vrijwel geen invloed hebben op het universitair beleid.

Toch zou het niet onterecht zijn om het wetenschappelijk gehalte van het werk van de vaste staf aan dezelfde strenge eisen te onderwerpen als het werk van de postdocs, en er dezelfde consequenties aan te verbinden: doe je je werk niet goed genoeg, zoek dan een andere baan. De jongere generatie wil geen gespreid bedje (want iedereen ziet wat daar van komt) maar wel: eerlijke concurrentie om de schaarse banen te kunnen verwerven.

Wie zal, nadat de huidige vergrijzende generatie met pensioen is, de fakkel kunnen overnemen? Wie zal er dan naast onderzoekservaring ook voldoende ervaring hebben opgebouwd om de nodige organiserende, begeleidende en leidinggevende taken te kunnen uitvoeren?

Alles bij elkaar genomen lijkt het mij dat de universiteiten deze problemen serieus moeten nemen en aan een bepaalde vorm van loopbaanplanning voor jonge onderzoekers moeten werken. Ik voorspel voor de komende tien jaar een enorme braindrain richting buitenland en instellingen buiten de wetenschap.

In mijn omgeving zijn tussen 1992 en 1994 24 personen gepromoveerd. Acht hiervan hebben inmiddels een onderzoeksbaan in het buitenland gevonden (Groot-Brittannië, Duitsland, Ierland, De Verenigde Staten, Australië). Acht hebben de wetenschap verlaten. De andere acht hebben een tijdelijke postdocplaats.

Schooltuinen

In de bijlage W&O van 4 april stond een artikel over het fenomeen schooltuinen in Amsterdam. Graag wil ik daar als directielid van een van de openbare basisscholen in Zeeburg op reageren. In het artikel ontbrak namelijk in mijn ogen een deel van de inhoudelijke discussie. De primaire taak voor de school is de kinderen zo goed mogelijk voor te bereiden voor vervolgonderwijs en hun rol in de maatschappij, al of niet met een baan.

Rond de basisschool bevindt zich een contingent aan instanties die daar op de een of andere manier een bijdrage aan meent te kunnen leveren: de musea met hun kunstkijkuren, de stichting kunstzinnige vorming met activiteiten van dansante vorming tot taaldrukken, het Tropenmuseum met een culturele ontdekkingsreis, de politie met drugspreventieve projecten, de muziek-luisterlessen en natuurlijk de zwemlessen - ik streef niet naar volledigheid. Een gemeenschappelijk kenmerk van al deze activiteiten is de reistijd die vrijwel altijd aan al dit leuks is gekoppeld. Voor de schooltuinen is dit op jaarbasis in ons geval minimaal 26 uur, iets meer dan een week lestijd. De kunstkijkuren zijn ook goed voor 6 uur reistijd. Dit alles nog los van de werkelijke lestijd. Het zwemonderwijs is de absolute topper, voor een half uur onderricht wordt per week een uur gereisd. De school en het schoolbestuur moeten een evenwichtige basis zoeken, financieel en wat betreft tijdinvestering tussen deze mix van toegevoegde activiteiten en de kerntaak goed onderwijs te verzorgen.

Ik pleit voor een discussie die neerkomt op de jaarlijkse afweging 'Rembrandt of groen'. Ik denk dat scholen zeker in de het kader van autonomievergroting zelf die beleidskeuzes kunnen maken. Natuurlijk kan dit tot gevolg hebben dat bepaalde aanbieders in afgeslankte vorm verder moeten omdat ze niet meer van klandizie verzekerd zijn, maar misschien is dit ook wel een prikkel tot kwaliteitsverhoging en tot meer klantgericht denken. De verzuchting dat schooltuinen, indien in de buitenschoolse uren geplaatst, geen klanten zou trekken zegt iets over de aantrekkelijkheid voor kinderen. Waarom kan een deel van de milieu-educatie niet op school plaatsvinden met een facultatief veldwerk in de buitenschoolse tijd? Waarom kan kunstgeschiedenis niet met behulp van audiovisuele middelen op school plaatsvinden. Het water van het zwembad naar school brengen is wat lastig maar ook daar valt de afweging te maken of dit naast het gymnastiekonderwijs wel onder schooltijd moet gebeuren.

Het is de vraag of al die kansarme kinderen wel het meest gebaat zijn bij het klakkeloos ingaan op elk aanbod dat tot ons komt. Of ze dan automatisch het meest gebaat zijn bij meer rekenen en taal is ook de vraag. Ook daarbij moet misschien meer gekeken worden naar de kwaliteit in relatie tot het totale aanbod, al of niet in combinatie met die schooltuinen.

De onderjurkvrouwen worden larmoyant door te veel tijd

Springdance Utrecht. Vanitas. Choreografie: Krisztina de Châtel; Muziek: Bach. 9/5 Groningen, 17/5 Amsterdam, tournee.

Lara. Choreografie: José Besprosvany.It can happen to you. Choreografie: Arthur Rosenfeld en Ana Teixidó. Tournee t/m 20/5. Gezien: 24/4, resp. Stadschouwburg, Ottone, Akademietheater Utrecht.

De onderjurkvrouw duikt al zo'n twintig jaar op in zowel toneel- als dansvoorstellingen. Zij draagt een onderjurk of een anderszins wat armoedig ogend gevalletje dat weinig om het lijf biedt. De onderjurkvrouw is eng. Ingehouden woest is ze, totdat ze - altijd - op een of andere manier losbarst. Ze krijst dan, of ze slaat iemand, of ze werpt zich gekweld tegen een muur.

Krisztina de Châtel maakte in opdracht van het Utrechtse dansfestival Springdance Vanitas, een voorstelling voor vijf vrouwen. Ze dragen sjofele hemdjurkjes, hebben bijna voortdurend een gekwelde blik in de ogen, slaan even of geven een valse duw. En uiteindelijk is er dan weer die muur.

Er is meer in Vanitas dat iets te bekend voorkomt. De voorstelling zou uitstekend passen in De Châtels dansfilm Stalen Neuzen: er zijn weer de soldatenkistjes, het stampen, de grijze kleding en vooral de typische Châtel-bewegingen. Die beginnen vaak snel en gespannen, om met een zijwaartse zwaai van het hoofd gracieus te worden afgemaakt. Maar terwijl dat in het ruige plattelandsdecor van Stalen Neuzen allemaal mooi tot zijn recht kwam, wordt het in Vanitas te veel van hetzelfde. En dat ligt aan het type vrouw.

In onderjurkvrouwen borrelt altijd de pathetiek. Het is De Châtel niet gelukt die te bedwingen. Conrad van de Ven ontwierp het decor met vijf bonken van - nagemaakte - dode koeien, aan haken als in een slachterij. De momenten waarop de danseressen daarlangs marcheren of zelfs op de knieën richting koe een soort gang naar Canossa maken, doet onherroepelijk aan een in memoriam voor 64 duizend kalfjes denken. Zo is het vast niet bedoeld, al helpt de titel Vanitas ook niet echt. Doordat de vrouwen te veel tijd voor bijna alles krijgen, biedt De Châtel ook geen alternatieve gedachte. De Châtel spint een minimum aan beweging wel vaker uit, en met succes. Maar in Vanitas zijn de minuten waarin wat schouders worden opgetrokken of waarin zelfs niets gebeurt veel te lang. Het pretendeert gewicht te hebben, maar zegt niets. Het degradeert de elders zo mooie bewegingen van De Châtel tot herhalingen zonder meer. Het maakt de onderjurkvrouwen larmoyant.

Gevarieerde programmering maakt festivals aantrekkelijk, maar kan voor voorstellingen ongunstig zijn. Vóór De Châtel was Lara van de in België werkende choreograaf José Besprosvany te bezoeken. Het idee was mooi: een anonieme Spaanse tekst uit de 15de eeuw over een conflict tussen een christelijke en een moslimgemeenschap; een Westerse cello gecombineerd met oosterse percussie en sitar, twee arabisch klinkende zangeressen en een danseres die zich door Indiase dans geïnspireerd beweegt. Maar alleen in de verrassende muzikale ratatouille is die botsing tussen twee culturen terug te vinden. Danseres Daniela Luca vertolkt niet zozeer de anekdote als wel de bijbehorende emoties, al blijft haar gezicht uitdrukkingsloos en zijn ook de stevigste sprongen met mooie kalmte uitgevoerd. Linker- en rechterarm leiden daarbij vaak een eigen leven, als om tweestrijd te tonen. Toch bleven de volgens de choreograaf belangrijkste thema's 'oorlog, huwelijk en verraad' zo goed als onvindbaar in de wel erg verfijnde mystiek van Lara.

It can happen to you van Arthur Rosenfeld en Ana Teixido was, na De Châtel en Besprosvany, heel ongelukkig geprogrammeerd. De vraag is alleen, wanneer dat niet zo zal zijn. In ruim een uur tijd zijn zoveel mogelijk clichés over de Hollywoodfilm gepropt, waaronder likkebaardende regisseurs met onervaren gansjes, achtervolgingen, dromen van een Oscar en bommenwerpersromantiek uit oorlogsfilms. De vier moeten hikkend van de pret hebben gerepeteerd. De voorstelling ontstijgt echter niet het niveau van een bonte avond.

Voorkeur; Muziek

4 MEI-PROJEKT Het koor van het 4 Mei-Projekt uit Groningen geeft olv Kees de Jong vijf uitvoeringen van het Joegoslavië-programma 'Liederen zwijgen niet', afgewisseld met instrumentale muziek. Voor de pauze klinkt een poly-etnische muzikale collage uit het voormalige Joegoslavië, na de pauze het speciaal door Johan de With voor het 4 Mei-Projekt geschreven Pesjma Miru voor koor, bariton, accordeons, harp, klarinet en slagwerk. 26 apr 20u30 Damkerk Hoogezand; 27 apr 20u30 Ons Centrum Winsum; 2 mei 20u30 ICO De Schalm Assen.

NOORDELIJKE MUZIEK Het Nederlands Kamerkoor zingt olv de Estlandse dirigent Tonu Kaljuste een programma met 'Heilige en heidense muziek uit het noorden': Magnificat van Pärt, Canticum Mariae Virginis van Rautaavaara, Laudatio Domini van Kokkonen, Stabat Mater van Penderecki en na de pauze stukken van Kreek, gebaseerd op 3000 jaar oude ruinenzangen en van Tormis, geïnspireerd door oude folkoristische muziek. 26 apr 20u Plantagekerk Zwolle; 27 apr 20u15 Beurs van Berlage Amsterdam; 28 apr 20u15 St. Antoniuskerk Breda; 1 mei 20u15 Dr. Anton Philipszaal Den Haag; 2 mei 20u15 Rijksmuseum voor Oudheden Leiden.

CITAAT EN BEWERKING Van 27 apr t/m 4 mei vindt in Maastricht het festival 'Citaat en Bewerking' plaats over verschijnselen als variatie, ontwikkeling, improvisatie, revisie, orkestratie, transcriptie en parodie. Tijdens De Nacht van het Citaat op 27 apr 21u30 tot 02u in het Kruisherencomplex zijn er performances en concerten. Van 28 t/m 30 apr is daar van 12 tot 17u een expositie met objecten en installaties. Verder zijn er kamermuziek-concerten in de Willem Hijstekzaal van het Conservatorium. Op 4 mei 20u15 is er in het Theater aan het Vrijthof een concert door het Brabants Orkest olv Peter Gülke met pianist Ronald Brautigam: bewerkingen van muziek van Schubert, Beethoven en Brahms.

OPERA WATERGRAAFSMEER De traditionele gratis openlucht-opera in de Watergraafsmeer aan de vooravond van Koninginnedag vindt plaats op 29 apr 21u30 op de autovrije Bredeweg, bij slecht weer elders. Dit jaar is er barokopera: delen uit Cadmus en Hermione van Lully en hoogtepunten uit Acis and Galatea van Händel: draken, zonnegoden en verlichte gevels. Er wordt gezongen door Esther Beima, Monique Scholten, Christopher Kale en Hans Heinis, begeleid door het barokorkest Les perruques d'Amsterdam olv Henk van Benthem.

NIKOLAI LUGANSKI De Russische pianist Nikolai Luganski, die onlangs met veel succes optrad in het Amsterdamse Concertgebouw, geeft 2 mei 20u15 een recital in de Aula van de Universiteit in Tilburg met muziek van Beethoven, Chopin en Rachmaninof.

RAY BROWN Hij speelde contrabas met bijna alle idolen uit de jazz maar vooral in het trio van pianist Oscar Peterson. Nu komt hij, bijna 70 jaar oud, met zijn eigen trio met pianist Benny Green en drummer Greg Hutchinson. 27 apr BIMhuis Amsterdam.

GLOBE FESTIVAL Een nieuw festival met wereldmuziek. Zoals Les Percussions et Dances de Guinée, de groep Baka Beyond olv de Britse gitarist Martin Cradick, de populaire zanger Remmy Ongala uit Tanzania, Kanda Bongo Man met Zaïrese soukous, het familie-orkest Njava uit Madagascar met twee heerlijk zingende zusjes, en de Colombiaanse accordeonist Antonio Rivas y sus Vallenatos. 27 apr Oosterpoort Groningen.

HAPPY HARDCORE Hitgevoelige house en metronomisch gabbergeweld, met optredens van Charly Lownoise & Mental Theo, Critical Mass, DJ Paul Elstak en anderen. 28 april Brabanthallen, Den Bosch.

PUNKPOP 96 De Heideroosjes, Jammah Tammah, Youth Brigade, Satanic Surfers en andere Nederlandse neopunkers willen graag net zo beroemd worden als Green Day. 29 april Melkweg, Amsterdam.

LOU REED College van rockprofessor Reed, die tegenwoordig een leesbril nodig heeft om zijn teksten van de muziekstandaard op te dreunen. 1 mei Ahoy, Rotterdam.

Moraal van niks (2)

J.L. Heldring vindt (16 april) de moraal van Hans Boutellier een 'moraal van niks', omdat die op niets méér berust dan op de intuïtie, dat mensen elkaars respect en mededogen verdienen. Want “intuïties verdienen alleen maar het diepste wantrouwen”. Vervolgens breekt ook Marjoleine de Vos zich op 20 april het hoofd over de vraag òf moraal gefundeerd moet worden als de christelijke grondslagen nooit enige waarborg konden bieden tegen zaken als marteling, doodstraf en armoede. Ze komt tot de conclusie dat we onze waarden en normen alleen zullen hooghouden als we ze willen hooghouden.

Zonder twijfel zal deze discussie worden voortgezet door iemand die zich afvraagt waaruit die vrijwilligheid dan wel mag voortkomen. Vrijwilligerswerk wordt doorgaans toch gemotiveerd door overwegingen van morele aard die ons vertellen wàt we vrijwillig willen doen. Wat vrijwillig gebeurt hoeft nog niet goed te zijn. En dan zijn we weer terug bij af.

Zulke voortdurende verschillen van mening komen soms voort uit één of meer gezamenlijk en stilzwijgend aangenomen veronderstellingen die onvoldoende doordacht zijn. Zo zou deze controverse wel eens een gevolg kunnen zijn van de aanname, dat moreel goed handelen een zaak van gehoorzaamheid is: al dan niet vrijwillige gehoorzaamheid aan religieus of anderszins gefundeerde of te verklaren voorschriften. Maar waarop berust die aanname? De ervaring pleit er niet voor; Marjoleine de Vos wijst er al op dat gehoorzaamheid heel immorele resultaten kan hebben. Moraal die om gehoorzaamheid vraagt is bijzonder machteloos tegenover iedereen die nu net geen enkel belang bij die gehoorzaamheid heeft.

Ons inzicht in moraal zou gediend zijn met een speurtocht naar een alternatief voor gehoorzaamheid, dat wèl tot moreel goed handelen motiveert.

Alternatieve index

In de krant van zaterdag 20 april biedt Adriaan Hiele kleine beleggers een alternatief om te profiteren van het rendement van de AEX-index, zonder dat ze zelf een uitgebreide aandelenportfolio hoeven te onderhouden. Hiertoe adviseert hij hen om hun geld te steken in aandelen van een bedrijf dat hetzelfde bèta-risico heeft als de index. Dit noemt Hiele een 'alternatieve index', die dus niet meer dan één soort aandeel hoeft te bevatten. De kleine belegger zou daarmee hetzelfde rendement kunnen behalen als de AEX-index zonder een hoger risico te dragen.

Dit is naar ons idee misleidend omdat Hiele slechts spreekt over het bèta-risico, in plaats van over het totaal-risico. Het totaal-risico van een portfolio omvat naast het bèta-risico ook nog het niet-systematisch risico: het risico dat uniek is voor het bedrijf.

Mogelijke factoren die daarin meespelen zijn bijvoorbeeld de kans op bedrijfsstakingen of de gevoeligheid voor bedrijfsspecifieke milieuheffingen. Dit niet-systematisch risico draagt voor een individueel aandeel al snel voor 50 procent bij aan het totaal-risico. Het aardige van een portfolio is nu juist dat het niet-systematisch risico sterk wordt verkleind.

Bijvoorbeeld: een portfolio bestaande uit eenderde Akzo, eenderde Elsevier en eenderde ING zal inderdaad een bèta-risico 1 hebben, maar toch een lager totaal-risico hebben dan een van de aandelen afzonderlijk.

Wij hopen hiermee aan te geven dat het beleggen in een portfolio van aandelen altijd minder risico met zich meebrengt dan beleggen in slechts een enkel aandeel, in het bijzonder voor de kleine niet-professionele belegger.