Zeehonden doen het weer in het waddengebied

Het aantal zeehonden in de Waddenzee is in zes jaar met meer dan de helft toegenomen. Zelfs de grijze zeehond doet het na eeuwen van afwezigheid weer goed.

TEXEL, 24 APRIL. “Verrassend” noemt P. Reijnders het herstel van de zeehondenstand in de Waddenzee. Volgens de jongste telling leven daar ruim 1.400 van die zoogdieren: bijna 900 meer dan begin 1989, vlak na de beruchte virusepidemie van 1988, die zich uitte in acute longontsteking en de populatie een geweldige klap toebracht. De laatste jaren echter is de robbenbevolking op het wad zienderogen vooruitgegaan. “Niemand had verwacht dat de populatie na die epidemie weer zo snel zou groeien”, aldus Reijnders, zeehondenexpert bij het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN) op Texel.

Wat voor Nederland geldt, is globaal van toepassing voor het hele internationale waddengebied, dat zich uitstrekt van Den Helder tot Esbjerg. Daar is de zeehondenstand in de afgelopen jaren verdubbeld, van circa vijf- naar tienduizend exemplaren. Uit die cijfers blijkt dat het herstel in Nederland zelfs sneller gaat dan in het Duitse en Deense deel van de Waddenzee.

Reijnders schrijft die gunstige ontwikkeling grotendeels toe aan twee factoren. Het reproduktie- of voortplantingsvermogen van de zeehond is verbeterd, terwijl de sterfte onder jonge dieren juist daalde. Vóór de epidemie van 1988 stierf 55 tot 60 procent van de jongen in hun eerste levensjaar, voornamelijk als gevolg van verstoringen door recreatie- en beroepsvaart. Nu is dat 40 procent, een verbetering die volgens Reijnders te danken is aan de vorming van reservaten, stukken Waddenzee, waar recreanten tijdens de zoogperiode (van half mei tot september) niet mogen komen.

Opvallend is verder een lichte vooruitgang van de aantallen in de Zeeuwse wateren. Daar zijn onlangs 42 robben geteld, het hoogste cijfer sinds de vroege jaren zestig (vóór de Deltawerken), toen er circa driehonderd rondzwommen.

Een soort die na eeuwen in Nederland terugkeerde is de grijze zeehond, veel groter dan de gewone, en voorzien van een spitsere snuit. Na 1500 is hij in de Waddenzee praktisch uitgestorven als gevolg van bejaging, maar sinds 1980 wordt hij weer veelvuldig gesignaleerd, eerst op de Engelschhoek (een inmiddels verdwenen plaat bij Terschelling ) en later op de Richel tussen Terschelling en Vlieland. Begin dit jaar zijn daar driehonderd grijze zeehonden geteld, voornamelijk afkomstig van de Schotse en Engelse oostkust.

Zeezoogdieren op het wad hebben nog altijd te lijden onder watervervuiling, die ontstaat door de industriële lozing van giftige stoffen, in het bijzonder polychloorbifenylen of kortweg pcb's. Ze komen vooral uit de Rijn en worden met de heersende stroming langs de Noordzeekust naar het noorden gevoerd, waar ze bij Texel de Waddenzee binnendringen. Sinds begin jaren tachtig staat wetenschappelijk vast dat pcb's het voortplantingsvermogen van zeehonden afremmen doordat die stoffen zich via prooidieren (meest vis) in hun lichaam ophopen.

Kortgeleden is bovendien duidelijk geworden dat chemicaliën het natuurlijke afweer- of immuunsysteem van de zeehond ondermijnen. Tussen 1990 en 1995 is daartoe onderzoek verricht door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven, de Erasmusuniversiteit in Rotterdam en het IBN (onderdeel van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) op Texel. Projectleiders waren hoogleraar virologie A. Osterhaus en Reijnders.

Het onderzoek bestond hieruit dat twee groepen zeehonden in het opvangcentrum van L. 't Hart in Pieterburen jarenlang verschillend voedsel toegediend kregen. De ene groep werd gevoed met relatief schone haring uit de Atlantische Oceaan, de andere met relatief vuile haring uit de Oostzee. “De uitkomst”, vertelt Reijnders, “was van groot belang. Voor het eerst is met levende dieren aangetoond dat watervervuiling het immuunsysteem negatief beïnvloedt. Dat werd altijd al vermoed, maar het was nog nooit wetenschappelijk vastgesteld.”

Ook bij de epidemie van 1988, die bij het Deense eilandje Anholt in het Kattegat begon, moet de chemische verontreiniging een rol van betekenis hebben gespeeld. Reijnders: “De oorzaak van die slachting was een virus, verwant aan het hondenziektevirus, maar het vervuilde water heeft ongetwijfeld bijgedragen aan de omvang van de epidemie en de snelheid waarmee ze om zich heen greep.”

Destijds waren daarover de meningen verdeeld. Osterhaus behoorde tot degenen die het verband (nog) niet wilden leggen. Zijn belangrijkste opponent, althans op een door Greenpeace belegd congres in Londen, was O. Wassermann, hoogleraar toxicologie aan de universiteit van Kiel, die de lozing van chemicaliën als schadelijke factor juist een sterke nadruk gaf. Nu, na het onderzoek in de crèche van Pieterburen, is de wetenschappelijke controverse van de baan: niemand twijfelt nog aan de nadelige invloed van verontreigd water.

Intussen blijft de zeehondenstand, tot vreugde van een bioloog als Reijnders, zich uitbreiden, maar volgens hem is er nog geen reden “om tevreden achterover te leunen”. De Waddenzee is nog lang niet schoon genoeg om het dier een onbekommerd voortbestaan te garanderen.

Reijnders: “De pcb's uit de Rijn blijven hier binnenkomen, waardoor de Waddenzee, als het om deze vorm van vervuiling, gaat, tot de top-5 van de wereld behoort. Bovendien staan we pas aan het begin van volledig herstel. Rond de eeuwwisseling leefden hier tussen de 7.000 en 18.000 zeehonden met als meest waarschijnlijk aantal ongeveer 16.000 exemplaren. Daar steken die 1.400 van nu nog schamel bij af.”

    • F.G. de Ruiter