Wernicke houdt mysterie van Debussy in stand

Voorstelling: Pelléas et Mélisande van C. Debussy door de Nationale Opera Brussel o.l.v. Antonio Pappano m.m.v. o.a. Laurence Dale, Maria Bayo, Monte Pederson en Franz-Josef Selig. Decor, kostuums en regie: Herbert Wernicke. Gezien: 21/4 Muntschouwburg Brussel. Herhalingen: t/m 11/5.

Het bijzondere van de ontwerper en regisseur Herbert Wernicke is de verscheidenheid waarmee hij van opera tot opera de voorstelling vormgeeft en ensceneert. Een voorstelling van Wernicke is vooral een opmerkelijke voorstelling van het werk zelf, veel minder een 'typische'

Wernicke. Bij Harry Kupfer ligt dat anders, ook bijvoorbeeld bij Peter Sellars, wiens opzienbarende produktie van Debussy's Pelléas et Mélisande uit 1994, die volgende maand weer in bij de Nederlandse Opera is te zien. De Pelléas et Mélisande die Wernicke nu in Brussel toont staat haaks op de Amsterdamse.

Wernickes aanpak varieert telkens, zijn hang naar uiterlijke esthetiek is een van de weinige constanten in zijn oeuvre. Maar ook in de uitwerking daarvan is geen eenheid te ontdekken. In Amsterdam hebben we daar drie voorbeelden uit gezien: Zemlinsky's Der Kreidekreis (1986), Bartóks Hertog Blauwbaards Burcht (1988) en Loevendie's Esmée, vorig jaar in het Holland Festival. In Brussel bracht Wernicke eerder Der Ring des Nibelungen en de barokopera La Calisto.

Toch is er naast die esthetiek in Pelléas et Mélisande wel een overeenkomst met vorig werk te ontdekken. Wernickes benadering van de raadselachtige inhoud van Pelléas komt overeen met die van het mysterieuze verhaal van Blauwbaard.

Wernicke liet die opera in Amsterdam twee keer achter elkaar spelen op verschillende wijze: het einde van het idee van een eenduidige interpretatie.

Waar Sellars Pelléas herkenbaar maakt door het te verplaatsen naar het hedendaagse Californië, houdt Wernicke het mysterie zorgvuldig in stand. Wernicke heeft geen enkele aandrang om het verhaal te positioneren, te actualiseren, te analyseren, uit te leggen, te verklaren of te duiden.

Ook waar men probeert conclusies te trekken uit de overvloedige symboliek. Men moet die vooral niet letterlijk nemen, want dan stuit men telkens op onverklaarbare inconsequenties en nieuwe raadselen.

Ze vergroten zelfs het mysterie rond Maeterlincks mythische verhaal over Mélisande, die 'zomaar', onwetend wie ze is, in het woud wordt gevonden door Golaud, de zoon van koning Arkel. Hij neemt haar mee als een jachttrofee en trouwt met haar. Maar in zijn broer ontdekt hij een rivaal in de liefde en hij vermoordt hem, waarna ook Mélisande sterft, al leeft ze voort in haar kind. Ze is een nieuwe Mélisande, want zal iemand haar herkomst kunnen verklaren?

Deze Pelléas et Mélisande speelt zich af in ruimte die zich maar moeilijk laat beschrijven. De gouden lijst rond de toneelopening is vierkant gemaakt en daarvandaan ziet men een piramidale kegel, die midden achter eindigt in een groot rond gat, dat helder licht naar binnen werpt. Men kan zich wanen op de bodem van een put, maar die ligt dan wel op de zijkant. Soms schuift, als bij een oud fototoestel, een sluiter voor dat gat. Maar dat is juist geen afsluiting: we zien in de vorm van een zonsverduistering de sterrenhemel.

De ruimte is geheel bekleed met koningsblauw tapijt, waarop talloze reuzenvliegen zitten, terwijl vliegen worden afgeschrikt door blauw. Eén keer lichten ze op, als vuurvliegen, en creëren dan hierbinnen een oneindig universum.

Hier klopt niets - koning Arkel scharrelt rond als een blinde clochard in de ruïne van zijn paleis.

Een gevallen kroonluchter licht af en toe nog wel brandend op, net als een van de kaarsen, die eraf is gebroken.

Alle andere personages betreden deze ruimte vanuit dat lichte gat.

We weten niet wat zich daar bevindt, we komen er niet achter wat het betekent. Is deze ruimte het verleden en bevindt zich daarbuiten de toekomst? Aan het slot verschijnt daar immers het gezicht van Mélisandes kind. Maar die conclusie mag men niet trekken: de hele voorstelling is het bewijs voor de juistheid van Golauds klacht in de slotscène dat de waarheid niet is te achterhalen. Wat bijvoorbeeld te denken van de dood van Pélleas? Hij wordt hier niet vermoord, maar werpt zichzelf in de schaar waarmee Mélisande haar haar afknipt.

Ook puur muzikaal is deze Pelléas et Mélisande, die 7 mei rechtstreeks wordt uitgezonden door de BRTN, een prachtige voorstelling.

Er wordt zeer fraai gezongen door Laurence Dale (Pelléas), Maria Bayo (Mélisande), Franz Josef Selig (Arkel) en - het indrukwekkendst - door Monte Pederson (Golaud). Antonio Pappano dirigeert een voortreffelijk spelend orkest met een kleine, intens impressionistische klank. Het is een totaal andere opvatting dan de veel helderder en analytischer uitvoering die Simon Rattle in Amsterdam liet horen.

De voorstelling bewijst het ook na het vertrek van Mortier blijvend hoge niveau van de Brusselse opera, nu onder intendant Bernard Foccroulle. De opmerkelijkste voorstelling in het volgende seizoen wordt Prometeo van Luigi Nono, vormgegeven door Robert Wilson.