Verborgen bedoelingen

Zij was echt blij, de mevrouw die vorige week in een kunstprogramma op de televisie vertelde over wat zij op cursus had geleerd: je mocht nooit meteen zeggen dat je een kunstwerk niet mooi vond. (Niet lelijk scheen ook niet te mogen, maar dat bleef een beetje onduidelijk.) De docent had gezegd dat je je eerst moest afvragen: wat heeft de kunstenaar bedoeld? Duidelijk was haar aan te zien dat dat geweldig hielp.

Het was haast ontroerend om het versleten cliché van 's kunstenaars bedoeling op die manier weer eens tegen te komen. Vooral in een programma waarbij je voor de rest niet wist wat gênanter was: de vergezochte opzet, het gezwets van de showmaster, of de manier waarop de eindredactie telkens had geknipt in het optreden van de dienstdoende deskundige, Liesbeth Brandt Corstius. Ook de getoonde 'hedendaagse kunst' zelf was trouwens gênant.

Nee, het is natuurlijk waar, je moet niet te snel oordelen. En het is goed, te proberen te bedenken wat de maker van een werk bezield kan hebben. Maar het eerste is al erg moeilijk, en het tweede soms onmogelijk, zeker als het over oudere kunst gaat. In deze krant toonde de schrijver Oek de Jong in een artikel over Caspar David Friedrich (CS 19 april, het was tevens zijn openingstoespraak bij de Runge/Friedrich-tentoonstelling in het Van Gogh-museum) hoe je dan ook soms iets heel dubieus kunt begrijpen.

De genoemde tentoonstelling van twee Duitse romantici is helaas bescheiden van omvang. Maar de muur met schilderijen van Friedrich, vooral drie of vier magistrale landschappen op wonderlijk kleine formaten, die is - om in Michelin-taal te spreken - een reis waard, uit elke uithoek van dit land.

De Jong vindt Friedrichs werk zeker mooi, al heeft hij er ook tegenstrijdige gevoelens over. (Ach, al die tegenstrijdige gevoelens, zonder telt de moderne mens niet meer mee.) Maar Friedrich prijzend, met zijn dramatische ruimtewerking en zijn geladenheid, schrijft hij: 'De naïveteit die ervoor nodig is om zoveel in de natuur te projecteren, om haar op zo'n absolute manier tot zinnebeeld te maken (...) die naïveteit bewonder ik (...),' en deelt ons mee dat weemoed, doch ook 'scepsis, weerzin en cynisme' hem, De Jong, daarbij overvallen. Ten slotte zegt hij jaloers te zijn op de 'geborgenheid die Friedrich zich in zijn beeldenwereld wist te creëren', en tegelijk weer niet. Niet jaloers, bedoelt hij.

Monden vol grote woorden, inderdaad, en meer over de spreker zelf dan wij eigenlijk wilden weten. Maar wat in die stroom ontboezemingen vooral hindert is het woordje 'naïef'. Waarom is de schilder naïef, en bewondert de spreker dat echt? Het klinkt als een compliment aan een kind; de superioriteit van hem die prijst zit ingebouwd.

Zo'n paternalistische toon is misplaatst. Want als Caspar David Friedrich naïef was, is zeker driekwart van alle kunstenaars die ooit gewerkt hebben dat, en tot op de dag van vandaag, niet (zoals de Jong suggereert) vooral vroeger. De Jong meent dat het onmogelijk is geworden om nog een eik te schilderen zoals Friedrich dat deed, en haalt daar nogal onverwacht de bomen van Van Gogh en Mondriaan bij: 'Om er iets in te kunnen leggen, moet je naïef zijn.' Hij vergeet kennelijk even dat vooral sinds Van Gogh en Mondriaan talloze kunstenaars zó druk bezig zijn iets 'te leggen in' hun kunst en het daarin afgebeelde, dat zij juist het puur technische meesterschap van Friedrich niet meer evenaren.

Bovendien geloof ik niet dat De Jong goed ziet wàt Friedrich in de natuur heeft geprojecteerd. Het is niet het zweverige dat iedereen uit zijn puberteit kent, het gaat niet over het grenzeloze, de innerlijke wereld, het gaat over de Eeuwigheid met een hoofdletter E, en God. Friedrichs diepe vroomheid is iets wat wij helemaal niet meer kunnen navoelen: maar wij moeten er wel aan denken om hem te begrijpen. Gods Almacht is het onderwerp. Je hoort haar in het geraas van de storm, en in de luid-ruisende roep van de bosbeek, zoals een leeftijdgenoot van Friedrich dichtte. Schubert zette het op plechtige koormuziek, in dezelfde tijd dat die landschappen tot stand kwamen. En geborgenheid? Die is juist nergens te bekennen, want God is een vervaarlijk heerschap.

Verborgen bedoelingen in schilderijen zoeken is een netelige zaak - en net zo verleidelijk als veel andere netelige zaken. Twintig jaar geleden was onder kunsthistorici het zoeken van een diepere betekenis achter elk muiltje en elk hondje hevig in de mode, iconologie de kreet van de dag. Tegenwoordig heerst er een roerende consensus dat dat allemaal ook weer niet overdreven moet worden, en dat soms een sigaar gewoon een sigaar is. De belangstelling gaat meer uit naar de geheime techniek waarmee iemand de matste sigaren weet te schilderen.

Maar mode noch verstand helpt tegen het feit dat de waarom-vraag keer op keer weer in je hoofd springt. Tegelijk met de tekst van Oek de Jong stond een ingezonden brief in de krant met kritiek op wat de NRC-recensente over de landschappen van Friedrich had opgemerkt. De lezer schreef dat ook het werk van Ruisdael al een 'verborgen boodschap' bevatte, en helemaal niet zo'n eenvoudige lofzang op de natuur was als zij het had doen voorkomen: Ruisdael schilderde eigenlijk de tijdelijkheid van het aardse bestaan, en Friedrich was slechts een uitloper van die traditie.

Wie zal het zeggen? De enige hoop op een antwoord is, diep en dieper in de huid van de schilder en de geest van zijn tijd te kruipen, te weten hoe het voelde, daar, toen. En dan nog kan er nooit zekerheid zijn. Het blijft makkelijker te zeggen wat iemand niet kan hebben bedoeld, dan wat hij wel bedoelde. Het verleden is een erg ver buitenland.

Maar dat C.D. Friedrich naïever was dan Oek de Jong, dat geloof ik niet.