Tennisles

Wij drukken elkaar de hand, de trainster en ik. Of ik hier al eerder les gehad heb, vraagt ze. Hier niet nee, zeg ik. Het verheugt me dat ze verder niets hoeft te weten over mijn tennisgeschiedenis totnogtoe. Want in mijn geval, dat besef ik, is het volslagen onduidelijk welke min of meer blijvende gevolgen eerdere lessen dan wel gehad zouden hebben.

Vervolgens vindt, zeg maar, de intake plaats. Wij spelen minitennis, we baselinen een beetje, we volleyen, we serveren. Dat wil zeggen: ik. Zij stelt mij in de gelegenheid tot de basisslagen en bestudeert intussen mijn tennishabitus. Ze heeft al weer genoeg gezien. We gaan eerst eens aan mijn forehand werken.

Ik sta naast haar; in parallelle positie. Zodat zij - mijn hand met de hare besturend - mij kan vertellen hoe het moet. Ik hoop dat mijn hand goed oplet, en begrijpt wat zij zegt. Niet alleen mijn hand, ook mijn arm, mijn voeten, mijn rechter schouder. Al die lichaamsdelen hebben met elkaar te maken, kijk maar, zij doet het voor, maar de mijne lijken wel een roerige klas. Zij toont en zet uiteen en natuurlijk begrijp ik haar maar al te goed. Het is waar: ik stap niet genoeg in, zacht gezegd, en ik zwaai nauwelijks uit.

Zij doet nu, met haar volmaakt getrainde lidmaten, voor hoe de beweging gemaakt moet worden. Eerst analytisch en onderdeelsgewijs, en vervolgens in een vloeiende continuïteit die alleen maar een raadsel van schoonheid genoemd kan worden. Deze scène zal zich tijdens de les diverse keren herhalen, in steeds weer andere varianten. Waarbij ik steeds sterker het gevoel zal krijgen dat ik de woorden en hun strekking weliswaar redelijk goed kan vatten, wie weet zelfs volstrekt en voor de volle honderd procent begrijpen; maar er enige consequentie aan verbinden, dat vermag ik niet.

Ik tennis nu slechter dan ooit, dat staat als een paal boven water. En langzamerhand begint het me te verbazen dat de trainster niet inziet dat zij haar tijd verdoet, dat zij het niet gewoon opgeeft, dat zij nog steeds de schijn ophoudt. Alle leven en alle begrip beginnen uit mij weg te lekken. Aanvankelijk stond er althans nog een lichaam. Dat een soort van minimale steun kreeg van een hoofd. Daarop nam het hoofd zijn congé. Nu gaat zelfs het lichaam er al bijna vandoor.

Het gaat hier over bedremmeldheid en over het verschrikkelijke probleem: hoe het eigen lichaam in te zetten. Natuurlijk overdrijf ik weer eens. Maar intussen vraag ik mij wel degelijk wanhopig af hoe hij in vredesnaam moet eindigen, deze tennisles aan een man zonder lichaam. God, wat kan een mens, als hij plotseling geen emplooi meer heeft voor het beetje intelligentie waarop hij doorgaans staat kan maken, zich door en door debiel gaan voelen.

Tegelijkertijd zie ik duidelijk in wat voor een wonder van vernuft het is: het zonder noemenswaardige tussenkomst van trainers geheel door mijzelf in de loop der jaren ontwikkelde tennis. Ik doe alles namelijk zowel te langzaam als te snel. Ik neem te weinig voorbereidingstijd. In wezen wordt elke slag als in paniek geslagen. Gedurende de tijd die een gewoon tennisser te baat neemt om al die mooie en goede dingen te doen - een kwart slag draaien, om het racket in zijn vervaarlijke positie te brengen, vanwaaruit dan met beheerste kracht, precies halverwege de terugzwaai van honderdtachtig graden, de bal het centrum van het racket verlaat met het enig juiste geluid: plok -, gedurende al die tijd doe ik dus op de een of andere hardnekkig argeloze manier voornamelijk niets, althans niet wat ik moet doen.

Ik sta in een onveranderlijk ongunstige positie ten opzichte van de bal die ik bijgevolg met een vreemde, door mij evenwel tot in finesses beheerste torsie te laat en steevast te dicht bij het lichaam van mij afsla. Ik zou kunnen zeggen dat ik een specialist ben. Dat ik de negentig procent makkelijkste slagen niet kan, maar de rest wel. En dat ik erin slaag om elke in principe gemakkelijke slag om te zetten in één van een zodanige moeilijkheid dat hij voor mij onuitvoerbaar wordt. Daarom is mijn backhand ook zo goed. Want dat is de slag het dichtst bij het lichaam. Eigenlijk heb ik twee backhands.

Zo kan ik het, op zonovergoten dagen zien; wanneer ik geen les heb. Maar nu krijg ik er een en verbaast het mij dat zij niet in lachen uitbarst. En voor de zoveelste keer - want natuurlijk heb ik dit alles al eens eerder meegemaakt - vraag ik mij af wie ik ben. Een man die les krijgt en zichzelf, hardleers en wel, toch wijsmaakt dat hij leert. Of een monsieur Hulot; een Peter Sellers in de rol van inspecteur Clouzot; of Sellers als de schitterende hoofdpersoon van Being There: een slaapwandelaar, een man die zich, op wonderbaarlijke wijze beschermd door het leven, overal doorheen blundert. Als ik de keus had, zou ik het wel weten: geregisseerd door deze trainster mijn hele repertoire van fouten vervolmaken.

    • Nicolaas Matsier