Opinie

Bij het levenseinde past geen simpele taal

Voltooid leven

In het debat over voltooid leven zijn ze elkaars spiegelbeeld. Maar Wouters Beekers (CU) en Daniël Boomsma (D66) keren zich wel beiden tegen de polarisatie en de versimpeling.

Illustratie Lars Zuidweg

Soms lijkt politiek heel overzichtelijk. Neem het debat over voltooid leven. Christelijke politici kijken liever naar hun heilige boeken dan naar het lijden van de ander. Liberalen komen liever met een zelfmoordpilletje dan dat ze het lijden verzachten met aanwezigheid en zorg.

Maar als het maatschappelijk debat een ding laat zien, dan is het wel dat de werkelijkheid niet zo simpel is. Dat zagen we afgelopen week weer in deze krant. De zelfbeschikking die een Australische echtpaar zocht aan het levenseinde lokte een verontruste reactie uit, niet uit christelijke, maar humanistische hoek.

De afgelopen tijd hadden wij, de een verbonden aan het wetenschappelijk instituut van D66, de ander aan dat van de ChristenUnie, een aantal keer eenzelfde verwarrende ervaring. Zeker, principieel zijn we elkaars spiegelbeeld. Pragmatisch maken we andere inschattingen. Beschouwen we het leven als een geschenk van God? Hoe wegen we de autonomie van de individu af tegen zijn verbondenheid met anderen? Hoe beschermt de overheid de waardigheid van ons bestaan? De vragen beantwoorden we verschillend en die verschillen willen we niet verdoezelen.

Maar we waren de ander ook iets beter gaan begrijpen. We ontdekten zelfs dat we iets delen: een ergernis over de versimpelde taal waarmee dit debat gevoerd wordt. We delen deze overtuiging: bij het levenseinde past geen versluierende taal.

Die versimpeling is gaandeweg in het debat geslopen. De jurist Huib Drion sprak in zijn inmiddels roemruchte essay in 1991 van een deprimerende ‘levensaversie’ die mensen kunnen ervaren en nam het pijnlijke woord ‘zelfmoord’ nog in de mond. In het maatschappelijk debat dat volgde ging het over mensen die lijden ‘aan het leven’ zelf. De artsenfederatie KNMG sprak in 2004 van „lijden aan het vooruitzicht om verder te moeten leven op een zodanige manier dat daarbij geen kwaliteit van leven meer wordt ervaren”. Het zijn woorden die klinken als een smachten naar verlossing.

Er ontstond politiek debat over het antwoord op dit lijden. Kunnen deze mensen geholpen worden onder de huidige euthanasiewet, en zou een nieuwe wet vooral met nieuwe risico’s komen, zoals de commissie onder voorzitterschap van D66-senator Paul Schnabel concludeerde? Of is er toch echt nieuwe wetgeving nodig voor deze groep, zoals een burgerinitiatief en verschillende liberale politici betogen.

Los van de inhoudelijke stellingnames, viel op welke woorden erbij werden gekozen. Steeds vaker ging het over het ‘voltooid leven’ en het ‘waardige levenseinde’. Ook bij de tegenstanders van nieuwe wetgeving gebeurde iets dergelijks. Samen met de directeur van omroep Max, Jan Slagter, sloot CU-fractievoorzitter Gert-Jan Segers begin 2017 een ‘zilveren pact’. Zij schreven het manifest ‘Waardig Ouder Worden’ en stelden: „samen moeten we ons inzetten om ouderen een volwaardig leven te geven in plaats van een voltooid leven”.

Laten we waken voor de suggestie dat het waardig ouder worden of het waardige levenseinde even ‘geregeld’ kan worden

De polarisatie draagt de versimpeling in zich: de liberaal gaat voor een ‘waardig’ levenseinde, suggererend dat christelijke politici mensen overlaten aan het lot van een ‘onwaardig’ levenseinde. Waarop de christelijke politicus repliceert dat juist liberalen mensen aan hun lot overlaten en het geloof in het ‘waardig ouder worden’ zijn verloren.

De polarisatie legt de verschillen bloot, maar kan de werkelijkheid ook onrecht doen. Want het ging over dezelfde mensen, hetzelfde lijden, maar klonk toch anders. Alsof het leven een project is dat op een zeker moment rustig kan worden afgerond. Is dat echt waar we het over hebben? Of zijn begrippen als ‘voltooid leven’ en ‘waardig levenseinde’, in de woorden van ethicus Govert den Hartogh, ongelukkig gekozen eufemismen?

In onze tijd worden we liever niet geconfronteerd met de ruwe kanten van ons bestaan. Socioloog Jan Willem Duyvendak spreekt over ‘het drama van de sentimentele samenleving’. Hij signaleert een obsessief zoeken naar een veilige en vertrouwde omgeving. Duyvendak illustreert zijn punt met het voorbeeld van hospices, die zichzelf aanprijzen als ‘bijna-thuis-huis’.

Ja, we zijn er in geslaagd onze levens steeds meer tot een thuis te maken. Maar er blijft altijd iets van ontheemding. Al te vaak hameren op het verlangen naar ‘thuis’ loopt uit op veel frustratie. Duyvendak stelt daarom: laten we eraan werken dat mensen zich ‘een beetje’ of ‘zoveel mogelijk’ thuis voelen.

Natuurlijk is het goed om te streven dat mensen ‘zo waardig mogelijk’ ouder kunnen worden en dat ook hun levenseinde ‘een beetje’ waardig is. Maar laten we waken voor de suggestie dat het waardig ouder worden of het waardige levenseinde even ‘geregeld’ kan worden.

Het is mooi dat we veel autonomie en keuzevrijheid hebben, maar ergens weten we wel dat het leven zich niet altijd laat uitstippelen. Het is niet aan ons welke talenten wij krijgen. Of liefde ons wacht en welke dan. Of we onze plannen kunnen voltooien voordat de dood komt.

De puur over zichzelf beschikkende mens is een sprookje, een overblijfsel van een al te rationalistisch wereldbeeld, waar de filosofen van het existentialisme zich terecht tegen hebben verzet. De mens is een ‘nog niet vastgesteld’ wezen, zei Friedrich Nietzsche ooit. En de christen Sören Kierkegaard beleed God als eindbestemming van de mens, maar beschreef de weg daarnaartoe als een haast absurde ‘sprong in het diepe’.

Geeft dat zoeken het leven ook niet schoonheid? Dat er altijd een nieuwe stap te zetten is? Dat we daartoe steeds opnieuw de vrijheid krijgen? Dat we elkaar daarin kunnen aanvullen? Dat er na ons altijd iemand komt die kan doen wat wij hebben nagelaten?

Onoverzichtelijk kan het leven zijn. Laten we daar in onze woorden rekenschap van geven. Want taal is een reflectie van ons denken. Onzuivere taal is een recept voor miscommunicatie en frustratie.

Laten er in het politieke gesprek ruimte blijven voor de pijnlijke kanten van het levenseinde. Die vormen immers aanleiding voor het debat. In navolging van de artsenfederatie KNMG lijkt het ons beter te blijven spreken over mensen die ‘lijden aan het leven’, dan over ‘voltooid leven’.

Hoe deze mensen bij te staan, blijft een moeilijke, morele vraag. Maar laten we onze politieke antwoorden zonder al teveel opsmuk formuleren. Kiezen we er uit barmhartigheid voor de mogelijkheid op ‘het zelfgekozen levenseinde’ open te laten? Of proberen we het lijden van mensen zoveel mogelijk te verlichten met zorg en nabijheid? ‘Ouderenzorg’ heet dat gewoonweg, en laten we dat ook gewoon maar zo blijven noemen. Durven we het aan de termen ‘waardig ouder worden’ en ‘voltooid leven’ los te laten? Het zou getuigen van eerbied voor hen die worstelen met de ‘onwaardigheid’ en de ‘onvoltooidheid’ die het leven soms kent.