Intrigerend contrast van een genereus schrijver

De onverbiddelijke tijd. Ned. 3, 23.22-0.12u.

Er zijn niet alleen de 'Grote Drie' schrijvers, er zijn vooral de 'Reuze Grote Twee. Hugo Claus en Jan Wolkers. Maar daar heeft men het dan niet over als men het over de Drie heeft.' Zo kenschetst Jan Wolkers zijn plaats in de Nederlandse letteren in de aan hem gewijde documentaire De onverbiddelijke tijd. Wolkers doet deze uitspraak tijdens een voorleesmiddag, en zij is typerend voor zijn manier van spreken: geëmotioneerd en trefzeker.

Jan Wolkers, inmiddels zeventig jaar geworden, is voor mij een groot en vooral genereus schrijver. Bij hem bespeur je niets van achterdocht of jalousie de métier, zo gebruikelijk in de letteren. Hij schept zijn literaire en beeldende oeuvre uit een bron die even onuitputtelijk is als vervuld van tragiek: de vergankelijkheid. Enerzijds is het voorbijgaan van de tijd noodzakelijk, anders bestond er immers geen leven. Anderzijds stemt verval hem met grote weemoed, en ook woede.

Filmer en interviewer Jan Louter monteert in de documentaire de vroege Wolkers uit de tweede helft van de jaren zestig tegenover de late Wolkers. Dat levert een intrigerend contrast op, niet alleen inhoudelijk ook visueel. De opnamen uit de jaren zestig zijn, uiteraard, hevig zwart-wit, rusteloos gemaakt, met een Jan Wolkers die een brok energie en nervositeit is. Zijn dictie alleen al is onvergetelijk: zinnen die kalm beginnen en zich dan ineens, als een vuurpijl, vooruit slingeren om in een reeks van prachtige beelden te exploderen. Daarna klinkt dan het vragend-vertwijfelde: “Hè, hè?” Hier is de omstreden Wolkers aan het woord, die met een werk als Kort Amerikaans (1962) en Turks Fruit (1969) de gemoederen van zedeprekend Nederland danig in beroering had gebracht. Wanneer Wolkers tegenover criticus Kees Fens zit, kort na verschijning van Terug naar Oegsgeest (1965), dan wringt hij zijn vingers langs elkaar. Hij is op zijn hoede, en elke vraag beschouwt hij eigenlijk als teveel: wat hij te zeggen heeft, staat in zijn boeken. Hoewel hij zich beroept op zijn autobiografische werkelijkheid als inspiratiebron, betuigt hij terecht dat een roman zijn onafhankelijke bestaansrecht heeft, met eigen dramatische wetten.

Ter illustratie krijgen we beelden te zien van de vroege Wolkers dwalend door het landschap van zijn jeugd, en ook van Wolkers uit 1996. Op de vraag of hij ooit opnieuw terug zou gaan naar Oegtsgeest antwoordt hij nu: “Nee, er zijn plekken waar je niets meer hebt te zoeken. Dat is niet pijnlijk, je bent ervan vervreemd.”

Zijn de beelden uit de jaren zestig duister, alsof toen nooit de zon scheen, de opnamen gemaakt in het huis dat Jan Wolkers op Texel bewoont baden in een stralend licht. Met zijn lichtende haren is hij tegen kleurrijke achtergronden geplaatst; we zien hem als een zwarte gestalte dwalend door de duinen en langs de zee. In de hier gevoerde gesprekken raken we aan de wortels van zijn schrijverschap; allereerst de Bijbel, het Boek waarvan Wolkers de poëzie leerde, de mensenkennis kreeg, de dramaturgie verwierf. Rechtstreeks met de Bijbel verbonden is het besef van vergankelijkheid. De dood van zijn broer, waarover hij met intensiteit heeft geschreven, gaf hem het inzicht dat alles zomaar verdwijnt, al die miljoenen herinneringen die iemand met zich meedraagt. Dat is een ontstellend besef. Wolkers zou 'tien jaar nodig hebben om alles op te schrijven wat er door je heen slaat, wanneer je een dode vader of broer ziet'. Dan doet hij een onvergetelijke uitspraak: “Tijd heelt alle wonden, zegt men. Iedereen weet dat de tijd niets heelt. De dood van mijn broer komt steeds dichterbij.” Wolkers treft hier de kern van zijn werk: twee met elkaar vechtende krachten beheersen het, de voortgaande en de stilstaand tijd. Naar zoals Jan Wolkers vertelt, kan ik onvoorwaardelijk luisteren.

    • Kester Freriks