Iedere 'gekochte' getuigenverklaring is verdacht

AMSTERDAM, 24 APRIL. De regering is het eens met de parlementaire enquêtecommissie-Van Traa dat de kroongetuige niet moet worden ingevoerd in het Nederlandse strafrecht. Toch gaat minister Sorgdrager (Justitie) er mee akkoord dat de voornaamste getuige à charge in het proces tegen Johan V., bijgenaamd de Hakkelaar, in ruil voor zijn verklaring wordt gevrijwaard van de eventuele celstraf die de rechter hem voor zijn eigen activiteiten binnen de georganiseerde misdaad zal opleggen.

De verklaring moet hem kennelijk zitten in het verschil dat de officier van justitie in navolging van het kabinet maakt tussen de kroongetuige en “deals met criminelen”. Het eerste is taboe. Het laatste is onder bepaalde voorwaarden toegelaten, vindt ook de Commissie-Van Traa. Zij trekt de grens bij het verlenen van “strafrechtelijke immuniteit”. De openbare aanklager omzeilde bij de aanvang van het proces tegen de Hakkelaar dan ook ostentatief de term kroongetuige en omschreef de zegsman Ad K. met enige nadruk als “criminele getuige”.

Veel maakt dit woordenspel op de keper beschouwd niet uit. De regering erkent zelf dat er in de praktijk sprake is van “een glijdende schaal”. Ook zonder algehele strafvrijwaring kan er sprake zijn van een kroongetuige. Essentieel is slechts, zegt de Nijmeegse hoogleraar P.J.P.Tak in zijn rechtsvergelijkende studie uit 1994 over dit onderwerp ten behoeve van het ministerie van justitie, “dat hij op enigerlei wijze voor het geven van informatie wordt gehonoreerd bij het afwikkelen van de tegen hem lopende strafzaak”. Dat hoeft helemaal geen volledige immuniteit te zijn. Ook zonder volledige vrijwaring is een “gekochte” getuigenverklaring verdacht.

De vraag of deze rechtsfiguur al dan niet dient te worden ingevoerd in het Nederlandse strafrecht is in elk geval reeds een gepasseerd station. Op 15 februari 1994 ging de Hoge Raad akkoord met de toezegging door het openbaar ministerie aan twee broers op het eiland Sint Maarten dat zij in ruil voor hun verklaring niet zouden worden vervolgd. Het ging hier om een partijtje cocaïne dat hun was afgenomen door twee politiemensen, die het daarna met enkele tipgevers deelden. De redenering was dat het hier om een ernstig ambtsmisdrijf ging dat op geen andere manier tot klaarheid kon worden gebracht. Bovendien vond de rechter die de zaak op de Antillen behandelde dat er geen aanwijzingen waren dat deze gang van zaken de geloofwaardigheid van de betrokken getuigen aantastte.

In Nederland zelf is de justitie trouwens ook al met kroongetuigen in zee gegaan, zo blijkt uit het rapport van de Commissie-Van Traa. Dat gebeurde met name in de zogeheten Laundry-zaak, een drugscomplot met als hoofdpersoon Kobus L., bijgenaamd de Kamper of de Zigeuner. Een voormalige huisvriend en bodyguard legde een belastende verklaring af in ruil voor de toezegging dat hij niet vervolgd zou worden voor zijn aandeel in de criminele organisatie, met uitzondering van liquidaties of geweld. Voordat hij zijn verklaring op de rechtszitting kon herhalen werd hij overigens zelf geliquideerd.

Er werd in deze zaak ook met een andere getuige een overeenkomst bereikt. Hier luidde de toezegging dat “in zijn richting geen actieve opsporing zal plaatsvinden”. De officier van justitie vond dat dit geen “deal” mocht heten, maar de rechtbank in Rotterdam oordeelde in haar vonnis dat dit wel degelijk het geval was. Een probleem was wel dat deze overeenkomsten tussen aanklager en getuige geen wettelijke basis hadden. Toch werden ze door de Rotterdamse rechtbank geaccepteerd in het vonnis waarbij Kobus L. vorig jaar juni werd veroordeeld tot twaalf jaar (er loopt overigens nog hoger beroep tegen deze uitspraak). Verschillende overwegingen speelden een rol. De rechters vonden deze afspraken de minst schadelijke oplossing die ook voldeed aan de eis van evenredigheid tussen middel en doel. Het bewijs tegen Kobus L. steunde bovendien niet overwegend op de “gekochte” verklaringen en deze twee verklaringen versterkten niet alleen elkaar onderling maar werden ook ondersteund door ander bewijsmateriaal.

De Antilliaanse zaak en de Laundry-zaak leveren een hele lijst van voorwaarden op die bij de berechting van de Hakkelaar nog aan de orde kunnen komen. Een nieuwigheid is dat het openbaar ministerie de kroongetuige op voorhand heeft toegezegd dat een eventuele straf niet ten uitvoer zal worden gelegd. Afzien van actieve opsporing of de toezegging van niet (verdere) vervolging past nog binnen het zogeheten opportuniteitsbeginsel dat ten grondslag ligt aan onze strafrechtspleging. Het openbaar ministerie is met zoveel woorden gerechtigd af te zien van strafvervolging op gronden aan het algemeen belang ontleend.

Kan dit echter ook gelden als de rechter heeft gesproken?

De wet belast het openbaar ministerie met “het doen uitvoeren van alle strafvonnissen” zonder daar iets aan toe te voegen. Het komt in de praktijk wel voor dat een vonnis zoals dat heet “wordt opgelegd ter verjaring”, bijvoorbeeld omdat de tenuitvoerlegging van een celstraf onmenselijk hard zou zijn. Dat staat al op gespannen voet met de wet, zei Tak in een boekje dat hij in 1982 schreef met zijn toenmalige collega G.J.M. Corstens (thans lid van de Hoge Raad). Volledig afzien van een opgelegde vrijheidsstraf is volgens deze twee deskundigen alleen mogelijk langs de weg van gratie. Daarbij dient in elk geval aan de rechter te worden gevraagd wat hij er van vindt.