Ex-generaals en putschisten niet in publiek ambt; Legers Latijns Amerika zijn vooral op achtergrond actief

MEXICO-STAD, 24 APRIL. De kortstondige rebellie van de Paraguayaanse legerchef generaal Lino Oviedo heeft vragen opgeworpen over de democratische gezindheid van de strijdkrachten in Latijns Amerika in de jaren '90. Een overzicht:

Brazilië. Sinds de militairen na een rampzalig verlopen poging tot landsbestuur in de jaren zestig en zeventig het regeren in de jaren tachtig weer overlieten aan burgerpolitici, blijven de strijdkrachten zo veel mogelijk op de achtergrond. Desondanks is bekend, dat de mening van langdienende generaals wel degelijk zwaar weegt bij belangrijke beslissingen over nationale problemen. Rio de Janeiro staat deels onder militair bestuur voor de misdaadbestrijding. Maar tijdens recente crises hebben de militairen beleefd bedankt voor de eer om het vaderland te redden.

Argentinië. Nog in 1990 kwamen ultra-rechtse officieren in opstand in Buenos Aires. Nu kanaliseren ze hun maatschappelijke woede vooral via politieke partijen. Overste Aldo Rico is een bekend voorbeeld van zo'n reactionaire houwdegen. Belangrijker is het pyschologische aanpassingproces van de Argentijnse militairen aan de burgermaatschappij na de traumatische ervaringen gedurende de 'vuile oorlog', de militaire dictatuur die in 1976 begon en in 1983 eindigde, na de pijnlijke nederlaag op de Falkland-eilanden (1982). De chefs van alle legeronderdelen hebben inmiddels hun spijt betuigd over martelingen en executies tijdens de 'vuile oorlog'.

Chili. Generaal Augusto Pinochet, verguisd wegens zijn oorlog tegen linkse landgenoten, maar - niet helemaal terecht - geëerd om zijn bittere doch succesvolle medicijn voor de Chileense economie, is op hoge leeftijd nog steeds bevelhebber van de strijdkrachten. Onder de standvastige president Patricio Aylwin, die de eerste vrije verkiezingen in 1989 won, waren er herhaaldelijk problemen tussen de burgerpolitiek en de militairen.

Pinochet aarzelde niet om tanks de straat op te sturen, of juist in de kazerne te houden als hem iets niet zinde. Onder de huidige president, Eduardo Frei, lijken de verhoudingen beter. Manuel Contreras, een kwade genius van de militaire inlichtingendienst, kon zelfs achter de tralies verdwijnen. Maar de dictatuur zal pas echt voorbij zijn met de dood van Pinochet. Menselijkerwijs kan dat niet zo lang meer duren.

Peru. De Peruaanse strijdkrachten lijken voor zichzelf de best denkbare formule te hebben gevonden. Hun invloed is groot en president Alberto Fujimori is hun beste vriend. Het leger steunde Fujimori maar wat graag tijdens diens 'zelf-coup' in april 1993. De strijd van het leger tegen de terreurbeweging Sendero Luminoso kon na Fujimori's autogolpe bijna ongehinderd worden geïntensiveerd en lijkt in het voordeel van de militairen (en de natie) te zijn beslist. Maar de tweede nationale prioriteit, de strijd tegen de drugshandel, heeft bij het leger absoluut geen voorrang. Hoge officieren knijpen een oogje toe bij of verdienen aan drugssmokkel.

Venezuela. Tot tweemaal toe hebben eenheden binnen de strijdkrachten in de afgelopen jaren een poging tot staatsgreep ondernomen. Centrale man is kolonel Hugo Chávez, een parachutist, ultra-nationalist en naar hij zelf zegt aanhanger van Simon Bolivar. De mislukte coups maakten een einde aan de langdurige democratische traditie. Net als in veel andere landen is ook in Venezuela de noodzaak om te bezuinigen op de overheidsbegroting de grootste vijand van de militairen.

Colombia. Het Colombiaanse leger is één van de weinige in Latijns Amerika die nog een bloedige oorlog uitvecht tegen guerrilla-bewegingen. De deelname van militairen aan de strijd tegen de drugsmafia heeft successen opgeleverd: de dood van Pablo Escobar in 1993 en de arrestatie vorig jaar van vrijwel de hele top van het Cali-kartel. Ondanks de huidige politieke crisis waarbij de van drugsfraude verdachte president Ernesto Samper onder druk wordt gezet om af te treden, weerstaan de strijdkrachten zonder moeite de verleiding en oproepen om in te grijpen 'in belang van het land'.

El Salvador. De burgeroorlog is voorbij, het leger is ingekrompen. De officieren zijn nu vooral zakenmensen. Gedemobiliseerde soldaten behoren samen met hun collega's van de voormalige guerrilla tot de nieuwe kansarmen in El Salvador. Vandaar soms relletjes en bezettingen van overheidsgebouwen. Het land eert zijn veteranen niet.

Guatemala. Enigszins voorbarig heeft het leger onlangs de fysieke oorlog tegen de drie decennia oude guerrilla voor beëindigd verklaard. Guatemala is al weer aan zijn vierde democratisch gekozen president op rij bezig. Ex-generaals en putchisten zoals Efraín Ríos Mont hebben aanhang, maar worden constitutioneel en met succes geweerd uit gekozen ambten.

Mexico. Al sinds de revolutie van 1910-'17 van dit front geen nieuws. Met lede ogen wordt het gemodder van de burgerpolitici in Chiapas aangezien, maar dat is geen reden voor de strijdkrachten om Mexico's succesvolle, 67 jaar oude systeem te doorbreken. De nieuwe vijand is de drugsmafia - in elk geval voor sommigen.

Haiti. Na de internationale interventie in 1994, waarbij de junta van Raoul Cedras werd verdreven, is Haïti opnieuw op weg naar democratie. De belangrijkste militaire opponenten van het democratisch gezag bevinden zich in ballingschap. In februari kon de democratisch gekozen René Preval het presidentschap overnemen van Jean-Bertrand Aristide.

Paraguay. De parlementaire democratie heeft de rebellie van legerleider Lino Oviedo overleefd. De benoeming van vuurvreter Oviedo tot minister van Defensie - een burgerfunctie - kan zijn gezichtsverlies maar juist maskeren. De steun van de chefs van de luchtmacht en de marine voor de presidentdoen vermoeden dat binnen het leger een nieuwe generatie officieren weinig verlangen koestert naar de dictatuur die de geschiedenis van het land na de Tweede Wereldoorlog heeft bepaald.

    • Reinoud Roscam Abbing