Diagonalen tegen de chaos der wereld; Zwaarmoedigheid op de Kaapverdische eilanden

Casa de lava (Het huis van lava). Regie: Pedro Costa. Met: Inês Medeiros, Isaach de Bankolé, Edith Scob.

O sangue (Het bloed). Regie: Pedro Costa. Met: Pedro Hestnes, Numo Ferreira, Inês Medeiros. In: Rialto, Amsterdam. Speciale voorstelling 27/4 19.30u in aanwezigheid van Pedro Costa.

Het enige vrolijke ogenblik zit aan het begin van de film: zwarte bouwvakkers komen uit een keet, dollen met elkaar en gaan aan het werk, ergens in Lissabon. Daarna neemt de zwaarmoedigheid het voorgoed over in Casa de lava van de Portugees Pedro Costa (1959). Een van de bouwvakkers, Leao, valt of springt van een dak en raakt in coma. Een Portugese verpleegster brengt hem terug naar een Kaapverdisch eiland waar we voor de scène in de bouw al beelden van hebben gezien: een woestijn van zwart basalt en kolkend lava, waar mooie mensen wonen die voornamelijk zwijgen. Van hen is Leao (Isaach de Bankolè) met zijn gebeeldhouwde kop het mooiste, en hij zwijgt het meest.

De Kaapverdianen zijn afstammelingen van Portugezen en Afrikanen; de eilandengroep was lang een kolonie van Portugal, die vooral diende als doorvoerplaats voor de slavenhandel. Verpleegster Mariana (Inês Medeiros) komt moeilijk in contact met de bewoners. Iemand moet de overtocht van Leao hebben betaald, maar wie? Wie is zijn vader, zijn geliefde, zijn zoon?

Waarom wordt zijn hond vermoord? Wie is de dronken blanke vrouw die door alle bewoners gerespecteerd en veracht wordt?

Pedro Costa is er in zijn tweede film niet op uit een verhaal te vertellen. Dat irriteert, tot het besef daagt dat het juist deze irritatie is waar Costa op uit is. Hij wil zijn kijkers laten weten dat de wereld niet zo makkelijk te begrijpen is. Costa's kracht is dat hij dat doet met beelden die zo'n formele schoonheid bezitten dat de raadselachtigheid er telkens even door wordt opgeheven. Zoals rijm een nonsensgedicht in bedwang kan houden, zo nemen de diagonalen en verticalen in Casa de lava - een kaarsrechte bergweg, de helling van de vulkaan - de chaos van de wereld weg. Costa is een mooifilmer, maar hij houdt ook van rauw, van stug, van contrasten. Mariana is een moderne Madonna als zij tijdens de tocht over het armoedige, ouderwetse eiland in de open laadbak van een vrachtwagen het hoofd van Leao in haar schoot laat rusten en boven haar hoofd de fles houdt met zijn infuusvoeding.

De films van Costa voelen soms op een merkwaardige manier realistisch aan. In zijn zwart-witte debuut O sangue, dat tegelijkertijd met Casa de lava wordt uitgebracht, zeulen een jongen en een meisje 's nachts met een grote zak over een kerkhof. De zak bevat het lichaam van de vader van de jongen, maar zeker is dat niet, net zo min als we te weten komen of zij hem vermoord hebben. Hun dialoog geeft geen uitsluitsel; ze praten over rommel opruimen en andere voor de personages op dat moment wel maar voor de kijker op dat moment niet belangrijke dingen.

Er is door Costa geen enkele poging gedaan de realiteit in te dikken.

In Casa de lava verlaat de regisseur deze methode helaas af en toe en neemt hij zijn toevlucht tot magie.

In de ene scène ligt Leao in coma, in de andere is hij wakker, soms kan hij lopen, soms zit hij in een rolstoel.

Costa filmde Casa de lava op lokatie en liet veel Kaapverdianen zichzelf spelen. De film is ook zo raadselachtig, schreef hij later, omdat hij land en bewoners niet goed kende. Casa de lava is typisch een film met een postkoloniaal perspectief. De hoofdrolspeelster deelt tot op zekere hoogte taal en geschiedenis met de bewoners en wil als gelijke met hen verkeren, maar ziet dat toch mislukken: de verschillen tussen hen zijn groter dan de overeenkomsten. Het was wellicht logischer geweest als de scènes zonder Mariana door Costa minder geheimzinnig waren gemaakt dan die met, zoals nu het geval is. De Kaapverdianen zijn zichzelf immers niet minder vreemd dan de Portugezen, Nederlanders of welk volk dan ook.

    • Bianca Stigter