Uitspraak in zaak-Spong; Advocaat mag naam cliënt verzwijgen

ROTTERDAM, 23 APRIL. De bekende Haagse strafrechtadvocaat mr. G. Spong hoeft de namen van zijn cliënten, die méér dan 25.000 gulden uit het buitenland naar zijn rekening overmaken, niet prijs te geven aan De Nederlandsche Bank (DNB).

Dit heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) vandaag bepaald in een zaak die Spong bij het college aanhangig had gemaakt. De meldingsplicht vloeide volgens DNB voort uit de Wet Financiële Betrekkingen Buitenland (Wfbb). Spongs Kantoorgenoot mr. M. Wladimiroff, die tezelfdertijd een soortgelijk beroep had ingesteld bij het College van Beroep, werd in het ongelijk gesteld, en moet alsnog de naam van zijn cliënt aan DNB bekendmaken.

De advocaten waren bang dat de gegevens die zij verplicht zijn aan De Nederlandsche Bank te overhandigen in handen vallen van Justitie. De wet Wfbb heeft tot doel De Nederlandsche Bank statistische gegevens te verschaffen voor de betalingsbalans en is volgens Wladimiroff en Spong niet ontworpen om zware criminaliteit te bestrijden. Zij weigerden dan ook gegevens te verschaffen over drie cliënten die bedragen van meer dan 25.000 gulden (een van de bedragen beloopt 900.000 gulden) hadden overgemaakt naar de ABN Amro rekening van de advocaten. Nadat De Nederlandsche Bank indringend om de gegevens had gevraagd, stapten de advocaten naar het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.

De strafpleiters beriepen zich op hun verschoningsrecht; als ze de gevraagde gegevens, zoals verblijfplaats van de cliënt en de reden van de transactie bekend zouden maken, schenden ze hiermee hun beroepsgeheim. Daarnaast wezen ze ook op de privacy van hun cliënten, die door de melding geschonden zou worden.

Wladimiroff en Spong vinden het eigenaardig dat advocaten niet, zoals bankiers, verplicht zijn ongebruikelijke transacties te melden die mogelijk uit criminaliteit zijn verkregen, maar dat wel moeten doen met alle transacties uit en naar het buitenland van meer dan 25.000 gulden.

Wladimiroff werd door het College van Beroep in het ongelijk gesteld, omdat het in zijn geval ging om het doorsluisen van een geldtransactie van zijn cliënt naar het Openbaar Ministerie. Het ging hier volgens het College van Beroep louter om het verrichten van financiële diensten.

Het beroep van Spong had daarentegen betrekking op geld dat zijn cliënten hem hadden overgemaakt als gage voor verleende rechtsbijstand. Het College van Beroep liet het maatschappelijk belang dat een ieder zich zonder vrees voor openbaarmaking tot een advocaat moet kunnen wenden zwaarder wegen, dan de meldplicht uit de Wet Financiële Betrekkingen Buitenland. De Nederlandsche Bank kon vanochtend nog geen reactie geven, omdat de juridische afdeling de uitspraak van het CBB nog niet had ingezien.